Dichterbij, door Els Fiers

1. De laatste van de menselijke soort

Het rook wat naar vodden in het atelier van Stuart Finch. De ramen waren dichtgemaakt met karton en tape zodat er geen licht naar binnen kon. In het donker kon je het geritsel horen van iemand die stilletjes iets aan het doen was, verder klonk er geen enkel geluid. De muffe geur steeg op uit een stapeltje vodden op de grond. Als het veel had geregend, begon het dak te lekken. Het deed Stu niks. Verval was wel het minste van zijn zorgen, al gooide hij soms een paar lappen over de plas op de grond. Hij liet de nattigheid in de vodden trekken en deponeerde ze dan ergens in een hoek, waar ze elke keer opdroogden tot kalkachtige hompen. Dat had hij deze middag ook gedaan. Hij wilde niet dat zijn nieuwe model zou denken dat hij een krot als atelier betrok. Maar de voddenbaal begon, net zoals andere dingen in de ruimte, een eigen leven te leiden. Er kwam een geur vanaf die het midden hield tussen urine en schotelwater. Niet fraai, maar het kon nog veel erger. Stu snoof de geur van vocht en schimmel op en vond dat er heel goed te werken viel in een atelier dat naar aftakeling stonk. In een mooiere ruimte zou hij niks zinnigs kunnen doen. Dat vermoedde hij althans, want hij had nog nooit in een mooi atelier gewerkt. Aan de ene kant van zijn atelier zaten grote ramen die de laatste tijd altijd afgedekt waren. Hij schilderde liefst clair-obscur en om dat goed te kunnen doen, had hij ook overdag duisternis nodig. Aan de andere kant stonden grote, beschilderde doeken op afgedekte pallets tegen het vocht. In het donker viel er weinig meer te ontwaren dan wat bleke ledematen of een pluk haar. Maar de onbedekte stukken onthulden wel dat het werk van Finch leefde. Elk detail gromde of beet, er kwam iets naar je toe dat trilde van leven.

In de afgelopen maanden was de carrière van Stu in een stroomversnelling geraakt. Na jaren ploeteren was het ondenkbare gebeurd, hij was ontdekt. Een van zijn doeken, en nog niet eens het beste, was door een Amerikaanse curator geselecteerd voor een groepstentoonstelling in New York. Al snel werd Stu uitgenodigd op nog meer tentoonstellingen. Verzamelaars hadden belangstelling, kochten zijn doeken en in het het kielzog van de Amerikaan zochten ook andere curatoren hem op. Stuart Finch was hot, zijn definitieve doorbraak slechts een kwestie van tijd. Eindelijk, want tot nog toe was het met bijval maar mager gesteld geweest. Erkenning vond hij uitsluitend bij zijn nieuwste vriendinnetjes, waardering alleen bij een paar zeldzame vrienden. Toch hadden de talloze afwijzingen hem gestaald. Hij had een bron in zichzelf ontdekt die rijk en onverwoestbaar was, en die hem dwong de wereld die hij met zich meedroeg, gestalte te geven tot ook het allerlaatste beeld in zijn hoofd geschilderd was.

Omdat zijn leven ooit een zootje was, was hij op zoek gegaan naar een uitweg. Aanvankelijk had hij die gevonden in de beelden en beklemmingen van fantasy. Hij was nog geen twintig toen hij onherbergzame landschappen schilderde, bevolkt met vreeswekkende ruimtewezens. Hij schreef scenario’s waarin mensen gevangen en verslonden werden door monsters met keverachtige gezichten, en hij bedacht allerlei situaties waaraan spelonkachtige kerkers en huiveringwekkende ontsnappingen te pas kwamen.
…”Hier komen,’’ beval de cipier, waarna hij het slot met een gebaar van zijn tentakel openmaakte. Bird wachtte op de klik waarmee de ijzeren staven los zouden springen.
‘Ik kom al,’ bromde hij, en hij sleepte zich schijnbaar dodelijk vermoeid naar de ingang van zijn cel. Bird wist dat het schepsel met de slangachtige armen hem mee zou nemen naar een martelkamer. Daar zouden zijn hersenen verwijderd en opgeslagen worden, en de dooie huls die ooit zijn lichaam was geweest, zou door de gangen worden gesleept om de anderen te laten zien hoe het ook hen zou vergaan. Geen betere bewaker dan de angst, wisten de indringers, die niet van plan waren ook maar een gevangene te laten leven. Maar Bird dacht er niet aan zich zomaar te laten vermoorden. Tijdens zijn dagen en weken in dit vochtige hol, met het gekrijs en gehuil van de wanhopigen op de achtergrond, had hij zijn ontsnapping nauwkeurig voorbereid.
‘Omdraaien,’ siste tentakelman. En op dat moment sloeg Bird genadeloos toe.’

De beelden die Stu voor zich zag probeerde hij uit alle macht te vatten op doek. Hij ging er zo in op dat de echte wereld aan hem voorbij ging, en dag na dag sloot hij zich op om rond te zwalken in een verbeelding die zowel schitterend als beklemmend was. Zijn werk en zijn personages werkten als een drug. Hij kon geen dag meer zonder en klampte zich zo stevig aan zijn visioenen vast dat het leek alsof hij nooit meer zou kunnen ontsnappen. Hij ontwikkelde een liefde voor Kak-roach, een reuzenkakkerlak die op mensen joeg in een met vuil overdekte stad. En hij bedacht de sexy heldin Star-a, een van de laatste overlevenden van de menselijke soort, en de ultieme prooi voor het monster dat heerste over de vervuilde aarde. Dat alles hield hij jaren vol, maar helaas sloeg zijn fantasywereld voor geen meter aan. Aandachtig bekeek hij de galeriehouders die hem uitlegden waarom zijn doeken geen kopers zouden vinden. Aan de vermoeide trek om hun mond leidde hij af dat het tijd was om Star-a vaarwel te zeggen. Ontgoocheld was hij nauwelijks, hij begreep dat zijn scheppingen persoonlijk waren en dat anderen dat ongemakkelijk vonden. Hij was er ook de man niet naar om eeuwig te blijven doorgaan met een kansloos project, ook al hield hij veel van Kak-roach en zou hij zijn buitenaardse psychopaat nooit vergeten. Vol goede moed boorde hij andere lagen van zijn verbeelding aan, waar hij iets vond dat nog altijd even raar, maar voor de kunstwereld makkelijker te accepteren was. Voortaan verdiepte hij zich in composities die compacter maar theatraler waren. Star-a ruilde hij in voor alledaagse meisjes die hij uit de kleren kreeg en die bereid waren zich te laten fotograferen in bizarre, geënsceneerde situaties. De aliens liet hij vallen. De vervuiling liet hij varen. Van de weidse landschappen, die hij eigenlijk toch al beu was, stapte hij af. Maar de basis bleef gelijk. Zolang hij een universum kon creëren waarin niemand hem te pakken kreeg, schilderde hij het ene doek na het andere. Steeds meer straalde hij de vastberadenheid en concentratie van een echte kunstenaar uit, en na een tijd kon geen mens hem nog van zijn pad afbrengen. Hij werd nog eenzamer dan hij al was, maar hij had een oplossing. Die heette Kitty, of Kit, zoals hij haar noemde in zijn berichtjes.

Advertenties

Danse Macabre

0x550-4.jpg

 

Danse macabre, door Els Fiers

Constantin B. bevond zich op het dak van een hoog herenhuis in een middelgrote stad. Het was na middernacht, de maan scheen en op het verre geronk van auto’s na was het stil in de straat. Constantin B. stond onzichtbaar in de schaduw van een oude, door de maan verlichte schoorsteen. De pannen onder zijn voeten waren glad maar hij had wel erger meegemaakt, en als hij wilde kon hij zich licht maken als een veer. Hij keek neer op een donkere huizenrij in een straat met kale bomen. Auto’s stonden dicht tegen elkaar geparkeerd en in een stalling grepen fietsen als een kluwen in elkaar. Achter de gevels leek iedereen te slapen, behalve op de tweede verdieping van een groot huis, daar brandde nog licht. Constantin B. hoefde zich niet erg in te spannen om te weten wat er gaande was: met zijn buitengewone blik kon hij alles haarscherp zien. Achter het venster liep een jonge vrouw heen en weer met een mes in de hand. Dat vond Constantin B. interessant, dus bleef hij roerloos toekijken. De vrouw in het raam droeg een t-shirt met een diepe halsuitsnijding en een strakke jeans. Ze was slank, had halflang blond haar en een ovalen gezicht met hoge jukbeenderen. Ze droeg geen beha en ook geen schoenen. Een halve minuut geleden was ze nog vreselijk aan het huilen geweest, waardoor haar ogen rood en gezwollen waren en haar mascara uitgelopen was tot aan haar kin. Samen met haar tranen had ze grote snottebellen uit haar gezicht gewreven met talloze papieren zakdoekjes die nu op een hoopje op tafel lagen. Constantin B. had altijd medelijden met huilende vrouwen. Kwade en schreeuwende vrouwen vond hij maar niks, maar wie kon huilen met overtuigingskracht, gevoel en veel snot deed zijn dode hart zwellen. Hij mocht dan wel een vampier zijn, kil was hij in ieder geval niet. Ook met deze ongelukkige voelde hij mee. Hij wist dat haar verdriet echt was en haar wanhoop reëel. Wat is de liefde toch een bloedbad, dacht hij somber. Onverstoorbaar bleef hij kijken omdat hij wilde weten wat de vrouw zou doen. Met het keukenmes in de hand liep ze naar een doos die op de tafel stond. Zenuwachtig sneed ze de tape open die ze een paar uur daarvoor in dikke repen had aangebracht. Ze trok de doos open, legde het mes neer en stapte met de doos in haar armen naar het raam. Constantin B. zag hoe de vrouw het venster opendeed en de inhoud naar buiten kieperde. Hemden, t-shirts, ondergoed en een paar lange broeken vielen vanuit de tweede verdieping op het voetpad en op straat. Het waren mannenkleren, zag hij vanop zijn maanbeschenen dak. Morgen zou de eigenaar zijn spullen uit de goot mogen rapen. Constantin B. had het heel lang geleden ook eens meegemaakt. Hij wist dat vrouwen die dingen buiten gooiden zich machteloos voelden. Ze waren kwaad maar het spel was nog niet uitgespeeld: de man – wie hij ook was – had nog een kans. Even dacht hij terug aan een vrouw die zijn beste pak ooit ook uit een venster had gesmeten. Een heerlijke, pijnlijke seconde lang zag hij haar gezicht voor zich. Haar zwarte haar viel los langs haar gezicht tot over zijn arm in de palm van zijn hand. Maar de geschiedenis was zo oud dat Constantin B. twijfelde of ze wel echt was. Misschien was het een verhaal dat hij tijdens zijn oneindig lange leven aan een oude geliefde had gekoppeld. Hij rilde toen de vrouw er nog iets achteraan gooide dat brak zodra het op de grond viel. Het was een oud scheerapparaat. Ze keek even of alles wel degelijk op straat lag en sloot toen het venster. Vervolgens begon ze opnieuw te huilen, met schokkende schouders en een gebogen hoofd. Constantin B. zag hoe ze met de achterkant van haar hand tranen uit haar gezicht wiste. Er stond een fijne glimlach op zijn bloedeloze lippen. Deze mooie jonge vrouw zou uitstekend gezelschap zijn vannacht. Hij had beet, dat wist hij vrijwel zeker. Nog een tijdlang bleef hij doodstil op het dak zitten. Toen was hij plots verdwenen, geruisloos en snel, zoals een windvlaag.

Nadat ze het venster in de keuken had gesloten wou Tia naar de zitkamer, maar plots voelde ze een aanwezigheid. Door haar tranen zag ze het silhouet van een man in het donker op de overloop. Een ijskoude zucht streek langs haar gezicht. Ze zag duidelijk twee benen en een paar zwarte schoenen, de rest van de man bleef verscholen in het donker. Verlamd van schrik bleef ze staan. Ze probeerde een geluid te maken maar er kwam niets uit haar keel. Tot haar ontzetting kon ze zich ook niet bewegen, het leek wel alsof alle spieren en pezen in haar lichaam uitgerekte elastieken waren. Haar hoofd spatte bijna uiteen van angst. Haar keel leek door een onzichtbare hand dichtgeknepen en haar benen wogen als lood. Nog even en ze zou morsdood neervallen.
“Je hoeft niet bang te zijn,” zei Constantin B. vanuit de duisternis.
“Ik weet dat het wat griezelig oogt maar ik wil je geen kwaad doen. Kijk maar, ik blijf hier gewoon staan.” Hij zette een stap in het licht. “Ik ben hier om je te troosten.”
Tia hoorde zichzelf hijgen. Toen ontsnapte er iets uit haar mond. ‘Iiiiiiiiiiiii,’ piepte ze. Doodsbang greep ze naar een schaaltje op het kastje in de gang en smeet het naar het hoofd van de man. Het spatte uiteen op de muur. Toen stoof ze weg naar de keuken. Tot haar schrik stond de inbreker er al, in een flits, zonder dat hij haar onderweg had ingehaald. Hij rees op tegen het fornuis als een grote zwarte duivel uit het diepste van de nacht. Tia grabbelde naar een mes dat nog op het aanrecht lag maar Constantin B. hief zijn hand en maakte een beweging zodat het mes uit haar handen gezogen werd. Met een droge tik viel het op de grond. Vanuit haar ooghoeken zag ze haar mobiel, maar de vampier zag hetzelfde. Met zijn vingers vormde hij een vijf en op slag hield hij het zwarte toestelletje triomfantelijk tussen duim en wijsvinger. Hij schudde het mobieltje heen en weer en lachte allerverleidelijks naar de panische vrouw.
“Nee hoor,” zei hij onverstoorbaar, “op dit uur telefoneren is zo onbeleefd. Ik zou het maar laten als ik jou was.”
“Geef terug,” kreunde Tia, die het mobieltje naar de hand van de inbreker had zien gaan zoals een naald naar een magneet.
“Nee,” zei de man in het zwart.
“Alsjeblieft,” smeekte Tia.
“Lieve schat,” zei Constantin B. een beetje lijzig, “Kunnen we niet ophouden met dit jachtige gedoe? Ik word er zo moe van en het is nergens voor nodig. Waarom ga je niet zitten? Rust even uit, ik blijf gezellig bij je.”
Tia hield op met naar wapens te speuren en steunde met haar ene hand op het tafelblad. Met haar andere hand wreef ze over haar voorhoofd. Ze voelde zich vreemd slaperig en zwak. Toen nam ze een stoel en zette zich neer.
“Gezien de omstandigheden ben ik min of meer verplicht om ‘s nachts bij mensen binnen te vallen,” legde B. uit. “Ik bedoel er niks mee, het is gewoon een ander soort sociaal gedrag. Ik blijf nooit lang, ik steel niet en ik maak niemand tegen zijn of haar zin ongelukkig. Dat is het nu net: ik kan oplossingen brengen voor wie eenzaam of verdrietig is.”

Tia keek hem aan zonder een woord te zeggen. Hij droeg een net pak van moderne snit en hij had inktzwart haar dat iets te lang was om onberispelijk te ogen. Onder zijn kostuum had hij een smetteloos wit hemd aangetrokken en om zijn kraag zat een brede, diepblauwe zijden das die met zorg geknoopt was. Aan zijn pink zag Tia een gouden ring. Zijn gezicht stond hard en ongenadig maar hij glimlachte naar haar alsof ze straks heerlijk zou smaken. Ze wist dat ze zich niet kon verzetten: haar tegenstander was te sterk. Maar ze was niet van plan zich zomaar te laten vermoorden. Dus vermande ze zich als een turnster die weer op de balk klimt na een val. Misschien kon ze een gesprek aanknopen en vond ze intussen een oplossing. Ze had de grootste moeite om helder te denken maar dat haar een zware nacht te wachten stond, begreep ze wel.
“Oké dan,” zuchtte ze. “Wat kan het mij ook schelen. Ik kon toch net zo goed dood zijn.”
“Oei, wat somber,” reageerde Constantin B. “Is hier sprake van liefdesverdriet?”
Tia haalde diep adem. Ze probeerde het bonzen van haar hart en het trillen van haar handen te negeren.
“Dus jij komt hier zomaar binnenvallen, midden in de nacht, om me uit te horen over mijn verdriet? Doe je dat wel meer?” Haar stem klonk bepaald niet vast, maar de boosheid was echt.
“Beste juffrouw,” sprak de vampier die wist dat hij de situatie meester was, “ik doe dit al heel, heel erg lang. Inderdaad niet tot het spontane genoegen van de mensen bij wie ik zo brutaal binnen kom waaien, maar toch valt het soms mee. Toegegeven, ik zaai altijd paniek en door de ongewone introductie lijkt het allemaal veel erger dan het is. Maar je zult zien dat de angst weg ebt. Straks leren we elkaar beter kennen en zal je zelfs blij zijn met mijn bezoek.”
“Dat kan ik mij niet voorstellen,” zei Tia die zich uit alle macht kranig probeerde te houden.
“Ik kom en ik ga zoals de nacht,” zei hij plechtig. “Daar valt helemaal niks aan te veranderen. Je kan het onaangenaam vinden of niet, maar ik ben er nu en dat moet je accepteren. Eens je dat hebt gedaan, zul je zien dat mijn bezoek in je voordeel kan uitvallen.”
“Dat lijkt mij zeer onwaarschijnlijk,” antwoordde Tia “Volgens mij is vermoord worden, of eerst bestolen en verkracht worden zelden voordelig voor iemand.”
“Allemensen, een verkrachting, wat een smakeloze gedachte,” reageerde B. “Ik ben geen misdadiger hoor, integendeel. Ik ben iemand van het goeie kamp. Wie met mij omgaat wordt er meestal beter van.”
“Is dat zo? En hoe dan wel?”
“Je moet begrijpen dat je iets beters kan worden dan je nu bent. Je kunt een ander doel vinden, maar dan moet je wel boven jezelf uitstijgen. Het doet geen pijn, dat zul je wel zien.”
“Ik snap het niet,” zei Tia mat. “Waarom moet ik boven mezelf uitstijgen?”
De vampier zuchtte en legde zijn witte, benige handen op de rugleuning van de stoel tegenover haar.
“Omdat je dan niet langer ongelukkig zal zijn.” En hij vervolgde. “Kijk, ik ben altijd alleen, ik heb het bijna altijd koud en ik mis het licht van de zon. Nu en dan stel ik vast dat anderen ook eenzaam zijn, en dat wil ik al eens een goeie daad stellen Kunnen we geen glas drinken en iets betekenen voor elkaar?”
“Nee. Je bent knettergek,” antwoordde Tia.
Constantin B. voelde zich beledigd maar hij bleef onbeweeglijk staan met een mond als een meetlat en fonkelende zwarte ogen.
“Dan niet” zei hij afgemeten, en hij maakte aanstalten om terug naar het gangetje te wandelen.
Verbaasd keek Tia hem na. Ze kon niet geloven dat hij ineens vertrok, alleen maar omdat hij zich beledigd voelde. Tegelijk vroeg ze zich af of het waar was dat hij haar af zou kunnen helpen van haar verdriet. Eigenlijk wilde ze hem wel geloven, maar ze vertrouwde de zaak niet. Ze twijfelde. Terwijl hij verdween in het zwart van de gang naar de voordeur besefte Tia dat ze hem wel knap vond met zijn zwarte haar en zijn loodrechte neusbeen. Hij zag er weliswaar moe, eenzaam en sinister uit, maar hij had iets dat haar intrigeerde.
“Hallo?” riep ze naar het deurgat. Ze hoorde een kuchje en zag vervolgens het messcherpe profiel van haar belager uit de schaduw komen.
“Wacht even,” zei ze haastig. “Misschien kunnen we toch praten. Maar je moet me begrijpen: het is heel vreesaanjagend wanneer er plots een man in je huis staat, midden in de nacht.”
“Dat begrijp ik heel goed,” zei Constantin B. met iets van mededogen in zijn stem. “Maar soms is datgene wat je angst aanjaagt net wat je nodig hebt. Angst en verlangen liggen soms dicht bij elkaar.”
“Dat weet ik niet,” zei Tia, “maar misschien heb je wel gelijk. Ik ben een beetje uit mijn doen vanavond. Ik heb een rotdag achter de rug, mijn hoofd doet zeer en ik loop erbij als een zombie. Het is al laat en ik vind maar geen rust. En net wanneer ik mij helemaal alleen voel en erg overstuur kom jij hier binnenvallen.” Ze begon weer te huilen. Constantin B. zei niets. Hij keek naar de punten van zijn schoenen en telde tot tien, daarna haalde hij een schone zakdoek uit de zak van zijn broek gaf hem aan Tia. Beverig wiste ze haar tranen en depte ze haar neus. Constantin B. keek van onder zijn smalle maar pikzwarte wenkbrauwen op haar neer. Zijn ogen glinsterden als edelstenen en om zijn lippen speelde een sluwe lach.
“Je bent bang,” zei hij toen zacht, “maar in het leven heb je soms niet te kiezen. Soms is het niet zoals je had gewild en moet je er toch het beste van maken. Zou het helpen als ik je iets over mezelf vertelde?”
“Ja, graag,” zei Tia. Voorzichtig snoot ze haar neus.

 

005-antoine-etex-theredlist.jpg

 

“Mijn naam is Constantin Brancusi, om u te dienen mevrouw. Ik kom uit Roemenië maar ik woonde heel lang in Parijs. Ik beleefde er mijn hoogdagen als kunstenaar maar die tijd is intussen lang vervlogen. Tegenwoordig woon ik nergens meer, ik verplaats mij als een nomade en ik leg mij te rusten waar ik maar wil. Ik ben honderdvierendertig jaar oud maar voor iemand van mijn slag is dat ongeveer van middelbare leeftijd.”
Tia keek hem aan met een blik vol ongeloof. “Honderdvierendertig?” Ze dacht dat hij zich vergist had of dat ze hem niet goed haar verstaan.
“Honderdvierendertig, inderdaad,” herhaalde hij. Tia was met stomheid geslagen. Hij zag er inderdaad niet zo fris meer uit.
“Ik ben geboren als zoon van arme boeren in een achterlijk dorp in Roemenië,” vervolgde hij. Op mijn twaalfde liep ik thuis weg om te ontsnappen aan de ruwe zeden en de tirannie van mijn vader. Ik leefde als vagebond en schooier en kwam af en toe aan de kost als tonnenmakersknecht. Gelukkig had ik een beetje talent: ik leerde hout bewerken en beeldhouwen en ik vertrok naar Parijs, dat in mijn jonge jaren het centrum van de kunst was. Ik werd assistent van een beroemde kunstenaar, misschien heb je ooit van hem gehoord: hij heette Auguste Rodin, maar dat bleef ik niet lang want in de schaduw van die man kon niets of niemand groeien. Na jaren van hard werken werd ik zelf ook beroemd en iedereen wilde mijn werk zien. Ik was bevriend met Apollinaire, Modigliani en Marcel Duchamp en ik kende Picasso maar hem mocht ik niet zo, want hij stond altijd klaar om andermans vrouw in te pikken. Na mijn dood werd ik begraven op het kerkhof van Montparnasse. Maar wie zich de moeite zou getroosten zou zien dat mijn ouwe botten niet in de kist liggen. Hahahaaa,” lachte hij met een scherpe stem. “Want zoals je ziet ben ik niet écht dood. De laatste vijftig à zestig jaar leef ik vooral ‘s nachts, wanneer het stil is. Hoewel ik niet weet of je in dit geval wel het woord ‘leven’ mag gebruiken.”
“Tjonge, dat is indrukwekkend,” zei Tia een beetje verward. “Hoe kwam het dat je begraven werd maar niet echt dood was?” Ze vond dat zijn handen en zijn hals er erg perkamentachtig uitzagen, alsof hij geen honderd maar duizend jaar oud was. Zijn gezicht daarentegen zag er niet onnatuurlijk uit. Misschien leek hij vijftig, hoogstens zestig. Ze liet haar blik langs zijn magere lichaam en zijn lange armen glijden en stelde vast dat wat ze zag niet menselijk oogde. Instinctief begreep ze dat hij dodelijk gevaarlijk was, maar ze voelde zich beneveld en daarom was ze niet bang.
“Lang voor mijn overlijden was ik lid geworden van een geheim genootschap. We waren maar met een paar mannen, slechts zes, meer was niet toegestaan. We kwamen samen in een geheime crypte onder de Sacré Coeur en werden daar ingewijd in de mysteriën van leven en dood. Door bepaalde rituelen, die al van bij de Egyptenaren bestaan, kan men de dood afwenden en veranderen in een eeuwig leven. Wanneer je tijd gekomen is, word je begraven maar drie nachten later komen de andere leden van het genootschap je bevrijden uit je kist. Vanaf dan ben je gedoemd om in het duister te leven. Onzichtbaar maar niet dood: het is een keuze die ik gemaakt heb toen ik een jaar of vijftig was.”
“En die je nu niet meer zou maken?” vroeg Tia belangstellend.
“O jawel, al heb ik de consequenties van het alleen zijn toen wel onderschat.”
Tia wist niet of ze hem moest geloven. “En de anderen van het genootschap dan? Waar zijn die?”
“Overal, nergens, dat interesseert me niet. Wie kiest voor een leven na de dood kiest voor absolute eenzaamheid. Gezelschap is uitgesloten.”
“Waarom?”
“Omdat gezelschap en vriendschap kunnen leiden tot liefde. En liefde hoort bij het leven. Wij hebben de regels van de dood aanvaardt en daarin kan geen liefde bestaan. Stel dat ik verliefd werd en het idee kreeg om me te gaan voortplanten? Dat zou heel eng zijn, denk ik je niet?”
“Waarschijnlijk wel, maar dat is zo een bizarre gedachte dat ik geen idee heb wat ervan te denken.” Tia voelde zich in haar stoel gedrukt. Ze had de indruk dat ze niet langer in haar keuken zat maar ergens anders, ergens waar niemand haar ooit nog kon vinden.

“Maar als gezelschap verboden is, waarom ben je dan hier?”
“Tja dat is een zwakte van me. Soms mis ik andere mensen. Dan kijk ik wel eens bij hen binnen en dat heb ik – ik moet het bekennen – vanavond ook bij jou gedaan. Ik zag je huilen en ik vond dat ik iets voor je moest doen.”
“Meen je dat echt?”
“Uiteraard. Ik zeg nooit iets dat ik niet meen.”
“Ik vind het moeilijk,” zei Tia plots. “Vier jaar geleden ben ik in deze stad komen wonen nadat ik was weggegaan bij een man. Ik dacht dat ik hier een nieuwe weg kon vinden en dat mijn leven hier minder zwaar zou zijn. Maar het lijkt wel alsof ik het ongeluk niet kan ontlopen. Nu kom jij hier met je vreemde verhaal en ziet het er nog beroerder voor me uit dan een paar uur geleden. Daarnet dacht ik dat ik de bodem van de put geraakt had, maar kennelijk kon ik nog dieper. En waarom? Wat heb ik verkeerd gedaan? Een vampier, dat moest er nog bijkomen.” Ze slaakte een diepe zucht en keek hem aan.
“Ik geef toe dat het geen alledaagse gebeurtenis is,” zei Constantin B. terwijl hij zijn lange armen vouwde en naar de pas geknipte nagels van zijn linkerhand keek.
“Ben je trouwens wel echt een vampier?”
Hij lachte vriendelijk en liet zo een stukje van zijn abnormaal grote hoektanden zien.
“Ach zo. En je wil me wellicht ook bijten?” vroeg Tia koelbloedig. “Is dat jouw manier om met het verdriet van vrouwen om te gaan?”
“Ik bijt niet tenzij je dat goed vindt,” zei Constantin droog.
“Maar als ik gebeten ben, ga ik dood?”
“Ja. Je hart begeeft het, de celgroei stopt, je houdt op met ademen. Technisch gesproken zal je gestorven zijn, maar je bewustzijn, je geest en je verstand blijven intact. Je lichaam zal als een soort fotokopie blijven functioneren. Je zal niet ouder worden en je zal ook nooit meer ziek worden. De man van wie je de kleren zonet op straat hebt gegooid zal morgen jouw dode lichaam vinden. Het zal hier in de keuken liggen, na wat lijkt op een nachtelijke roofoverval. Hij zal zich vreselijk schuldig voelen. En jij zal alles gadeslaan, onzichtbaar, van achter het raam.”
“Word ik een schim?”
“Mja, zo zou je het kunnen stellen.”
“Word ik ook een vampier?”
“Nee, dat is alleen voor ingewijden.”
Tia blies nogmaals. Ze strekte haar hand uit naar een pakje sigaretten op tafel en nam er een. Ze bood de vampier ook een aan maar hij weigerde beleefd. “Mijn longen,” zei hij ernstig. Hij kuchte eens. En nog eens. Tia stak haar sigaret aan. Ze gooide haar hoofd in haar nek, blies een wolk rook uit en wachtte. Constantin B. geeuwde zodat Tia twee vlijmscherpe hoektanden nog beter kon zien. Het leken wel dolken.
“Is het ook mogelijk dat je niet bijt?” vroeg Tia.
“Jazeker,” zei Constantin C, “ik kan ook gewoon weggaan. Maar ik denk niet dat je mij straks nog zult laten vertrekken.”
“Waarom denk je dat?” De vampier glimlachte naar haar en hield haar blik vast zoals een wolf een konijnenjong. Tia voelde het bloed naar haar wangen stijgen. Brancusi zag dat zijn benevelende charmes vrucht afwierpen. “Mooi zo,” zei hij, “laten we iets drinken. Laten we praten over liefde en verdriet.”
Tia stond op en nam twee grote glazen die ze met een onzekere hand op tafel zette. Ze vond een bestofte fles rode wijn onder in de kast en ontkurkte ze. Constantin B. goot de wijn in de glazen. Hij bleef haar strak aankijken terwijl ze dronk.
“Vertel eens over hem,” zei Constantin toen. “Heeft hij je bedrogen of is hij gewoon een sufferd?” Tia glimlachte en keek naar het raam, alsof ze daar het antwoord zocht. Ze zei niets.
“Wat doet hij voor werk?”
“Hij is fotograaf.”
“Heeft hij succes?”
“Ja maar hij heeft nog meer ego. Hij gelooft vast dat de nulmeridiaan tussen zijn billen loopt.”
“Ach zo. En wat doe jij?”
“Ik ben model.”
“Waw. Fijn om te doen?”
“Nogal, het verdient niet slecht maar je maakt er weinig vrienden.”
“Anorexia?”
“Waarom vraag je dat?”
“Je bent nogal dun. Ik ben bang dat ik straks recht op het bot bijt.”
Plots had ze geen zin meer om over haar vriendje te praten. Ze besefte dat ze niet meer wist wat ze wel en niet wilde, en dat dit een gevaarlijke situatie was.
“Hij was er nooit, ik kon hem zelden bereiken. Ik heb geen idee wat hij bij me zocht. Hij had wellicht andere vrouwen, misschien wel drie of vier. Ik bleef maar wachten maar nu ben ik het zat.” Ze nam een slok.

Constantin B. vond dat ze zich niet zo snel gewonnen gaf. Hij zou haar uiteindelijk wel krijgen, daar twijfelde hij niet aan, maar toch probeerde ze een zekere afstand te bewaren. Ondanks zijn bezwerende krachten hield ze zichzelf in de hand en dat kon hij wel waarderen.
“Waarom gooide je zijn kleren uit het raam?” vroeg hij.
“Heb je dat gezien?” vroeg zij.
“Jazeker. De hele stapel ligt op straat. Iedereen kan het zien.”
“Ach,” zuchtte ze, “we kregen ruzie aan de telefoon. Ik zei dat ik hem ontoegankelijk en hard vond maar hij had geen zin in een discussie. Het is al maanden zo, het botert gewoon niet. Op een keer moet je beseffen dat het niet werkt, niet meer, niet minder. Ik had wellicht niet alles naar buiten moeten kieperen. Maar het resultaat zal toch hetzelfde zijn: het is afgelopen met ons.”
“Was hij behalve een idioot een opwindende vent?” vroeg de vampier met een vlakke stem.
“Je bedoelt in bed?”
“Hm,” Brancusi plooide zijn papieren lippen in een vileine glimlach, “wie plezierig is in bed is dat ernaast doorgaans ook, vind je niet schat?”
“Dat zou wel eens kunnen,” antwoordde Tia.
“Al neukend zegt de boer de waarheid, denk ik soms bij mezelf. En? Deed hij het goed, jouw egoman?”
“Hij was bedreven maar nogal kil. Volstaat dat of wil je nog meer details horen?”
“Het volstaat.”
“Maar hij is al de elfde met wie het spaak loopt. Ik heb geen kinderen, geen rust en geen dieper contact met iemand anders. Elf relaties die niet werken, dat vreet aan een mens.”
“Ach, soms heeft iemand gewoon wat geluk nodig. Dat heb je kennelijk nog niet gehad. Maar je hoeft niet te wanhopen: vannacht is jouw nacht. Je zult zien dat alles beter wordt, als je maar luistert naar oompje Brancusi.”
“Ik weet het niet,” zei Tia mat. “Ik ben erg moe. Ik wil niet wanhopen, maar ik word telkens geconfronteerd met allerlei problemen. Andere vrouwen, liefde die tekortschiet, bindingsangst, verlatingsangst, smetvrees, cocaïne, sm: ik word er nog eens knettergek van.”
“Kom,” zei Constantin, “vergeet al je zorgen en denk aan iets anders. Stel je recht, we kiezen een deuntje en we dansen door de keuken.”
Tia voelde zich vreemd licht in het hoofd. Ze nam de afstandsbediening van de cd-speler en duwde op play. Er zat een cd in van Nick Cave. “Come sail your ships around me,” zong hij met zijn grafkelderstem, “and burn your bridges down”. In de keuken werd het langzaam donker. Alleen het lampje van de dampkap gaf nog licht. De ruimte vulde zich met muziek. De piano waarop de zanger speelde klonk vertrouwd en zijn stem was warm als een vacht. Constantin legde zijn gerimpelde hand op Tias schouder, nam zachtjes haar hand in de zijne en begon een trage wals. Hij sloot zijn ogen en genoot van haar geur: een mengeling van zoet, zoute tranen en de scherpe reuk van angstzweet. Dansen met een vampier om drie uur ‘s nachts: Tia vond het opwindend, gevaarlijk en raar. Ze vond het het einde. En dat was het ook. Constantin B. omhelsde haar met meer tederheid dan een man ooit had gedaan. Innig kuste hij haar in haar hals. Tia voelde zich duizelig worden van genot. Tegen zijn magere borst gloeide ze van liefde. Ze keek hem aan met een stralende glimlach en zo lief als een man maar kon kijken, blikte hij terug. Toen hij zijn tanden diep in haar hals duwde voelde ze zich sterven van geluk. Constantin dronk haar bloed tot er geen druppel meer overbleef. Hij merkte hoe haar hart steeds trager sloeg en hij hoorde haar ademhaling verzwakken. Toen klonk de bekende stokkende snik. Hij hield haar vast tot al het leven dat in haar was verdamp was als water op een hete plaat.

Het speet hem dat ze niet meer leefde en dat hij haar warme lichaam moest achterlaten. Even had hij de hartenklop van het leven en van de liefde gevoeld. Het gemis was haast ondraaglijk, maar het was verboden. Haar dode lichaam legde hij voorzichtig neer op de keukenvloer. Op de twee diepe, zwarte gaten in haar hals na zag ze er volkomen onaangeroerd uit. Hij sloot haar ogen en legde haar armen op haar borst. Vervolgens goot hij de fles wijn leeg in de gootsteen, spoelde de glazen, droogde ze af en zette alles netjes weg. De scherven van het schaaltje dat Tia naar zijn hoofd had gegooid, deed hij in een plastic zak. Hij wiste zorgvuldig alles sporen en zorgde ervoor dat de dode Tia in een smetteloze situatie achterbleef. Nog voor het ochtend werd was hij verdwenen, verzadigd maar niet echt voldaan. Hij vond zijn redding van eenzamen en ongelukkigen steeds minder bevredigend. Het werd hoe langer hoe moeilijker om dat moordzuchtige gedrag voor zichzelf te verantwoorden, maar hij had niet echt een alternatief. Hij kon alleen overleven door het drinken van vers mensenbloed, en dan koos hij altijd nog liever de ongelukkigen dan degenen die wel nog wisten waarom ze op dit ondermaanse rondliepen. Net zoals een slang kon hij zijn slachtoffer hypnotiseren, de techniek had hij heel lang geleden van een psychiater geleerd. En de methode werkte, want de doodsangst van de vrouwen smolt als sneeuw voor de zon in en zijn armen dachten ze telkens dat ze eindelijk de enige, echte liefde gevonden hadden. Ze stierven gelukkig, in een heerlijke roes. Moest hij zich schamen voor alle moorden die hij intussen op zijn geweten had? Wellicht. Maar zodra hij op iemand zijn zinnen had gezet kon hij niet meer terug. Zijn inhalige ziel dwong hem tot moord: de drang was zo sterk en het verlangen zo intens dat het doden zelf belachelijk eenvoudig was, een zucht vergeleken bij de het gewicht van zijn eeuwige dorst.

Een paar uur later stond een man ontzet te kijken naar het lichaam van zijn mooie vriendin. Hij knielde, sloeg de handen voor het gezicht en kreunde lang en bitter. Zijn kleren stonden netjes ingepakt in een grote kartonnen doos op de keukentafel. Vanop het dak van het hoge huis aan de overkant keek een schimmige Tia aandachtig toe. Een fijne glimlach krulde om haar lippen. Haar lichaam was gestorven, maar zoals Constantin B. had gezegd, was haar geest nog intact.

Copyright Els Fiers 2016

BRANCUSI-the-kiss-sculpture-constantin-brancusi.jpg

Godverdomme

Godverdomme
Door Els Fiers

Waldbad_Hohegeiss_Schwimmen_Baden_Braunlage_Sommer_Ferien_Urlaub_Reise_neu_06.jpg

1. Mensen aan een zwembad

„Zaza, als Mefisto straks belt, wil je hem dan zeggen dat ik in een vergadering zit en niet gestoord wil worden?”
„Geen probleem. Wie komt er langs?”
„Niemand, maar dat is het net. Ik wil doorwerken aan een project en dat lukt niet als ik met Mefisto moet telefoneren. Vraag of hij terugbelt. Of nee, zeg hem dat ik vanavond zelf bel.”
„Goed hoor, al zal hij dat natuurlijk niet zo fijn vinden.”
Zaza sloot de deur van de ruimte waarin God aan de computer zat. Hij probeerde een foto te printen, maar de printer haperde telkens wanneer hij een tweede opdracht gaf. De eerste keer printte het toestel altijd feilloos, de tweede keer nooit.
„Verdomme” vloekte God. Hij stond recht en zette de printer uit. Op zijn computer sloot hij het venster waarin de afbeelding stond die hij hebben wou en schakelde over naar het e-mailprogramma. Nadat hij gezien had dat er geen nieuwe mails waren toegekomen, ging hij weer naar de foto op het scherm. Weer zette hij de printer aan. „Druk af” beval hij en eindelijk begon het grote grijze apparaat te reutelen en te zoemen. Een seconde later lag een prent in de houder. Er waren wat mensen te zien die met elkaar zaten te praten aan de rand van een groot openluchtzwembad. Het water op de foto was lichtblauw met een groene tint, alsof er een laagje mos op de bodem stond. Achter een sierlijke witte balustrade rees een donkergroen bos van naaldbomen op. Tussen de dicht op elkaar groeiende bomen zat een pikdonkere doorgang waar iets dreigends van uitging. Hoewel het zwembad baadde in fel daglicht leek het alsof de foto ‘s nachts was genomen.
„Wat een vreemd contrast,” dacht God. „Maar zo subtiel. Ik zou wel eens willen weten wie hier de fotograaf van was.”
„Fotograaf?” schreef hij op de prent. Hij onderstreepte het woord. In het zwembad zagen de mannen en vrouwen er allemaal gezond en gelukkig uit. Niemand droeg een opzichtige bikini, de vrouwen hadden nauwelijks nepborsten en geen enkele man was overdreven bruin of gespierd. Aan de rand van het zwembad, vlakbij de trappen die naar een grijze tegelvloer leidden, zat een dikke kerel met een magere te praten. Volgens God kon dit beeld wel eens een belichaming van harmonie en beschaving zijn. Nergens botste hij op tekenen van agressie, domheid of pronkzucht. „Paradijs” schreef hij in de rechterbovenhoek van de prent. Hij nam een stukje tape en liep met het blad naar de muur. Daar hing hij het op, bovenaan, ongeveer op ooghoogte. Vervolgens keerde hij terug naar zijn computer en klikte het symbooltje van internet aan.
„Mens,” tikte hij in op Google. Buiten regende het zachtjes. De bladeren van de boom tegenover Gods venster hadden een diepe okergele kleur. Nog even en er zouden alleen nog kale takken aan de boom staan. De wind joeg wat blaadjes door de lucht en God zag een paar kraaien in wilde banen boven de daken vliegen. Zijn blik bleef rusten op een donkergele hazelaar in de voortuin van het huis waarin hij aan het werk was. In het binnenste van de struik waren de blaadjes nog groen. Hij bekeek de schakeringen van groen en geel naar oranje en droomde weg. De ruimte waarin hij aan het werk was vervaagde en zijn blik keerde naar binnen. Toen keek hij weer naar het scherm waarop een lijst met weblinks verschenen was.
„Niets,” dacht God terwijl hij haastig verwijzingen overliep naar een rockgroep, nummers van Men’s Health en een artikel over herenkapsels. Geen enkel onderwerp was zinnig of bruikbaar en hij besloot dat het niet vanzelfsprekend zou worden om te bepalen wie of wat de huidige mens was.

Zaza kwam binnen zonder te kloppen. In haar hand had ze een map.
God schrok. „Kun je niet kloppen?” vroeg hij.
„Excuseer,” zei Zaza. Ze gooide de map op het bureau. God keek op.
„Ik moet even een kleinigheid kwijt,” zei ze op besliste toon.
„Ja?” vroeg God, een beetje van zijn stuk gebracht.
„Je hebt me aangenomen omdat ik doctor in de kunstgeschiedenis ben. Het plan was dat we samen aan een project zouden werken dat bestemd is voor de grootste musea ter wereld. Ik zou de research op mij nemen – en dat doe ik ook – en jij het creatieve gedeelte. Maar in werkelijkheid doe jij haast niks en gedraag je je alsof ik je secretaresse ben. Dat vind ik een beetje misplaatst. Dan had je beter een assistent kunnen nemen.”
God keek haar aan zonder een woord te zeggen. Zijn gezicht zag er vreemd gespannen uit, alsof hij diep nadacht en tot een besluit probeerde te komen. Soms was Zaza bang dat hij in woede zou uitbarsten en een stoel stuk zou gooien tegen de vloer, maar tot nog toe was dat niet gebeurd.
„Je hebt gelijk,” zei hij eindelijk. „Ik vraag je inderdaad teveel om koffie en andere prullen, maar dat komt omdat Tania vroeger ook al het secretaressewerk op zich nam.”
„Tania?”
„Dat was mijn assistente tot ze besloot voor iemand anders te gaan werken.”
“Ik ben geen assistente,” zei Zaza ferm. Ze negeerde Gods verongelijkte toon. „Ik ben meer een soort…” ze zocht naar een geschikte omschrijving… “partner. Het wordt tijd dat we een nieuwe assistent aanwerven.”
„Inderdaad,” zei God. „Maar ik ben wél de baas. Ik ben de scheppende kracht, de kunstenaar, degene die de zaak draaiende houdt en die de verantwoordelijkheid draagt.” Zijn voorhoofd werd lichtrood. „En als ik vind dat ik niks hoef te doen dan is dat zo!” De laatste woorden sprak God nadrukkelijker uit dan strikt nodig. Hij zag dat Zaza bleek werd en dus hield hij zijn mond. Het was een fijne meid, hij wou haar niet intimideren met een donderstem, daarvoor was hij toch teveel een gentleman. Althans, dat dacht hij zelf. Hij Zelf.
„Oké,” zei Zaza, „maar ik vind niet dat ik jouw telefoontjes moet aannemen. Als Mefisto belt, zeg hem dan zelf dat je geen tijd hebt voor zijn geleuter.” Ze trippelde de ruimte uit en liet de deur open.

„Hij leutert niet, dat is het nu net. Hij is heel angstaanjagend.” God wist dat Zaza hem niet kon horen, maar toch zei hij het. Toen nam hij de map die Zaza gebracht had. „Mens. Afbeeldingen Volume I,” stond erop . Terwijl hij het paradijs had geprint had Zaza een dikke stapel A4’tjes verzameld waarop allerlei voorstellingen van mannen en vrouwen stonden. Bovenaan lag de Venus van Botticelli, gevolgd door de Schepping van Adam van Michelangelo. De David van Bernini zat er ook bij.
„Toch eentje met karakter,” dacht God bij zichzelf. „En hij lijkt behoorlijk kwaad. Dat komt de geloofwaardigheid zeer ten goede.” Hij vond het wel fijn dat Zaza met afbeeldingen op de proppen kwam over het onderwerp waarover hij zich zonet had gebogen. In de map zaten De Kus van Rodin en De Kus van Klimt, waar de vrouw helemaal werd opgezogen in de persoonlijke sfeer de van de man.
„Nee,” dacht God, „dat is het ook niet. De mens van vandaag is niet zo prinselijk of hoekig, de huidige mens is stadser en ronder. En hij heeft niet zulke grote handen.”
Enigszins tot zijn verbazing had Zaza ook licht erotische prenten in de map gestoken. Een naakte man met een hangsnor, een gespierde onderbuik en een penis in slappe toestand lachte hem toe. Aan zo iemand had God zich niet verwacht.
„Zaza! Kun je eens komen?”
„Wat is er,” zei de doctor in de kunstgeschiedenis terwijl ze haar haar met een elastiekje bijeen bond.
„Wat is dit?” Hij hield de foto van de naakte man omhoog.
„Een goed voorbeeld van de nieuwe mens,” antwoordde Zaza ernstig. „De nieuwe mens heeft geen last meer van schaamte. Hij of zij – want ik neem aan dat we ook een vrouw zoeken – voelt zich goed in zijn vel en kan zonder drama’s omgaan met seks.” Ze keek enigszins triomfantelijk naar de man met de snor.
„Heb je er ook vrouwen bijgedaan?”
„Ja natuurlijk, blader maar verder. Je vindt ze na de naakten van Mapplethorpe.
„Ròbert Mapplethorpe?”
„Inderdaad.”
„Vind je niet dat we ook afbeeldingen uit de film en de reclame moeten overwegen?” vroeg God terwijl hij verder bladerde.
„Ja, maar ik geef toch de voorkeur aan beeldende kunst.”
„Waarom vind je dat?” vroeg God summier.
„Ik geloof dat de mens een universeel gegeven is, zijn essentie verandert niet. En dat is toch waar de kunsten mee behept zijn. Bovendien vervult de mens in de reclame een functie – hij moet bijvoorbeeld shampoo of margarine verkopen – terwijl hij in de kunst helemaal vrij is.”
God vond een prent van een naakte vrouw met lang haar en kleine borsten. Ze keek uit het beeld met een spijtige blik, alsof ze iets zag dat haar verdrietig stemde.
„Ik geloof ook niet zo in de reclamemens,” zei God die een tijdje naar de foto had zitten staren. „De mannen en vrouwen daar zijn te mooi, te jong, te slank. Dat maakt hen onsympathiek. De mens naar wie ik op zoek ben heeft gebreken. Hij heeft geen symmetrisch gezicht en ook geen passende partner. Hij mag zelfs een miskleun zijn, we kunnen veel meer leren van sukkels dan van geslaagde mensen. Succesvolle mensen inspireren mij niet. Sukkels daarentegen doen dat wel.” Hij nam de naaktfoto en hield hem voor zich.
„Van wie is dit?” vroeg hij.
„Weet ik niet. Van een fotograaf die plaatjes schiet voor een blootblad allicht.” Ze vond het vreemd dat God zo aandachtig keek naar een doodgewone naaktfoto. De vrouw uit de prent had inderdaad iets bijzonders – ze keek een beetje droevig, misschien was ze daarom zo sexy – maar toch vond ze de belangstelling van haar werkgever overdreven.
„Zal ik haar zoeken op het internet?”
God zweeg. Toen liep hij met de hangsnor en het droevige blootmodel naar de muur. Hij hing beide prenten op.
Zaza viste nog een afbeelding uit de map van ‘De Mens. Afbeeldingen Volume I’ en toonde die aan God. Er stond een dikke, verveelde man op die op een grasmaaier zat. Op zijn hoofd had hij een driekleurig petje en in zijn hand een blikje cola. De man staarde zo wezenloos en leeg de wereld in dat je haast medelijden met hem kreeg.
„Wat vind je daarvan?”
„Ach ja, Duane Hanson,” glimlachte God. “Wat een prachtig oeuvre liet hij na. Wat een voortreffelijke representatie van zinloosheid en de afwezigheid van vreugde. Wat een wonderlijk pessimistische spiegel hield hij zijn medemensen voor. Ja, deze man kan dienen. Maar ik vind hem erg Amerikaans. Hij is dik en conservatief. Voor de hedendaagse mens kijk ik toch uit naar een complexer beeld, een mooier iemand ook, ontroerender. We moeten op zoek gaan naar de perfecte, perfect imperfecte persoon.” God wandelde met de prent van de man op de grasmaaier naar de muur. Weer nam hij een stukje tape en bevestigde hij het A4’tje een halve meter onder de prent die hij het paradijs had genoemd. Die Hij het paradijs had genoemd. Hij.
„Ziezo,” zei God, “het is al een begin.”

2. Borsthaar?

„Waarom ben je eigenlijk kunstenaar geworden? En bijvoorbeeld geen schrijver of architect,” vroeg Zaza plots.
Opnieuw keek God haar aan met kwaad gezicht.
„Hoe vreemd,” dacht Zaza, “hij lijkt kalm maar toch heb ik het gevoel dat hij zo kan beginnen schreeuwen. Is het mogelijk dat hij woedend lijkt omdat hij nadenkt, dat kwaadheid zijn normale uitdrukking is tijdens het denken? Of zet ik me schrap?” Zaza deed alsof ze ook ergens over nadacht maar ondertussen hield ze hem nauwlettend in de gaten. God daarentegen pijnigde zijn hersenen. Nu hij met de vraag geconfronteerd werd wist hij het antwoord niet, en dat vond hij erg frustrerend.
„Omdat ik daar de meeste rebellie vond,” zei hij eindelijk, „in de beeldende kunst worden vernieuwende ideeën erg gewaardeerd. Kunst veronderstelt dwarse mensen en beelden die schokkend mogen zijn. Dat bevalt mij wel. En je hoeft er ook niet te kunnen spellen zoals in de literatuur, of na te denken over de plaats van het venster in de keuken.”
„Ik weet het niet hoor,” zei Zaza toen, „maar op mij maak je niet zo’n rebelse indruk. Ik heb het gevoel dat je vrij meegaand bent.”
God perste even zijn lippen samen. Hij hield er niet zo van te worden geanalyseerd waar hij zelf bij zat.
„En,” vervolgde hij, „ik kon goed tekenen, dat heeft ook wel meegespeeld.”
Zaza hoopte dat hij ook iets aan haar zou vragen over haar beroepskeuze, maar hij zweeg. Hij had een vel papier genomen en maakte er een schets op met een vulpotlood. Het werd een academische tekening met mooie ronde lijnen en zacht beschaduwde volumes. Terwijl God tekende, nam Zaza plaats aan de andere computer die op de lange, in een L lopende werktafel stond. Ze wist niet dat hij een portret van haar aan het maken was, anders had ze zich wel wat rechter gezet zodat ze slanker en minder slap zou lijken. Maar God tekende haar zoals hij haar net nog gezien had, rechtopstaand, met het haar haastig bijeengebonden, een jurk en een paar slobberende laarzen. Hij zette haar wenkbrauwen nog wat aan en veerde toen recht. Met het blad in de hand liep hij naar de muur en bevestigde de schets naast de grasmaaierman.
„Zo,” zei hij, „de hedendaagse mens.”
Zaza keek op. „Ben ik dat?”
„Jazeker. Wat vind je ervan? Treffend?”
„Het is heel mooi, werkelijk heel mooi” zei Zaza met een lichte blos. Ze meende het ook. Ze was erg verrast dat God een portret van haar gemaakt had. Binnenin glom ze van trots, al wilde ze dat niet laten merken.
„Maar zei je niet dat je op zoek was naar iemand met gebreken? Een sukkel?”
„Inderdaad. Toen zag ik jou en werd plotseling alles zo klaar als een klontje.” God grinnikte zacht.
„I see,” mompelde Zaza. Ze schonk God een mooie glimlach en nam ook een potlood. Hoewel ze niet over de vaardige hand van God beschikte kon ze toch aardig haar mannetje staan. Ze tekende een realistisch ogend naakt met beginnende heupkwabben, een buikje en een bescheiden geslacht. Het haar schetste ze in een naar voren gekamde punt en aan het voorhoofd voegde ze een reeks diepe rimpels toe. De kin werd vierkant, zodat het gezicht gezag uitstraalde. Onder de ogen trok ze dikke lijnen waardoor de man op het blad een vermoeid en zorgelijk uiterlijk kreeg. Toen de tekening ongeveer af was zette ze heel veel fijne streepjes op de armen en de benen, en nog wat meer in de schaamstreek.
„Waarom heb ik zoveel haar op mijn armen en benen en niet op mijn borst?” vroeg God, die alles kon zien.
„Omdat borsthaar niet goed past bij de actuele mens,” antwoordde Zaza snel.
„Dat is volstrekt onwaar. Borsthaar heeft niets met Zeitgeist te maken, je laat je teveel leiden door de commercie die haarloze mannen verkiest.”
„Ja hoor,” zei Zaza terwijl ze de tekening ook aan de muur hing. Ze had niet het idee dat God veel borsthaar had. Hij leek haar eerder iemand met een naakte bast, al kon ze dat natuurlijk niet weten.
„Hoe lang moet de nieuwe mens eigenlijk meegaan? Voor eeuwig?”
„Tja dat weet je van tevoren nooit. We vormen een beeld van de huidige mens, man of vrouw, die leeft in een door ons geconcipieerde wereld. Het is niet omdat ik dat een keer gedaan heb dat die schepping onveranderd kan blijven voortbestaan. Scheppen is een taak die alle dagen inzet vraagt. Het werk is nooit af, het vraagt een continu herkneden, herbepalen, corrigeren en schrappen. Het i…”
‘Bzzrr, bzzrr,” het mobieltje van God maakte een laag, snorrend geluid.
“Hallo?”

Zaza kon niet verstaan wat er aan de andere kant van de lijn werd gezegd. God keek naar haar en rolde met zijn ogen. Ze mocht aannemen dat het Mefisto was.
„Ja, maar waarom?” vroeg God met een pijnlijke grimas op zijn gezicht.
„Geen probleem, dan passen we dat er wel in,” vervolgde hij.
„Nee, nee, het is geen probleem.” Hij greep naar zijn keel, stak zijn tong uit naar Zaza en deed alsof hij ging flauwvallen.
„Hoezo niet? Wat zeg je nu? Dat zag er toch goed uit?” Er volgden geen gekke gezichten meer. „Kan ik iemand bellen? Niet?” Weer luisterde hij.
„Nee zeg, dat zou ik toch liever zelf doen.”
Er volgde een gespannen stilte.
„Oké, zal ik doen. Jaaa, jaaa, fijn dankjewel.” Met een nijdig gebaar duwde hij op het afsluitsymbooltje van zijn smartphone. „Verbinding verbroken,” verscheen er op het scherm naast het fotootje van Mefisto.
„Slecht nieuws?” vroeg Zaza.
„Zeg dat wel,” zei God.
„De gesprekken met het MoMA verlopen stroef. De grote tentoonstelling die we over twee jaar zouden doen, staat plots op de helling. Mefisto zegt dat de hoofdcurator van de afdeling hedendaagse kunst, een zekere Ezra, niet zo gelooft in een nieuw scheppingsverhaal. Hij vindt het idee goed maar hij vreest dat de installaties en sculpturen niet zullen overtuigen. Volgens Mefisto houdt hij er een agenda op na en wil hij iemand anders voorrang verlenen. Maar hij ziet die Ezra binnen twee weken op een vergadering en dan zal hij het opnieuw bespreken.”
„Hoezo? Die tentoonstelling lag toch vast?”
„Ja maar het MoMA heeft intussen een nieuw afdelingshoofd en de afspraak was gemaakt met grote baas. Maar die moet Ezra blijkbaar een zekere vrijheid geven.”
„Dan ga je toch gewoon naar de grote baas?”
„Zal ik doen, maar eerst moet ik een paar zaken op een rijtje zetten.”
God zuchtte diep. Hij vertrouwde Mefisto niet, maar hij had zich in het verleden al vaker nuttig gemaakt en in zakelijke afwikkelingen was hij best goed. Mefisto kende een heleboel mensen in de kunstwereld en hij bracht een aanzienlijk deel van de centen aan. Zonder Mefisto zou het werk van God veel minder succesvol zijn. God besefte heel goed dat hij misschien een obscuriteit zou zijn, een amateur, een garageknutselaar die overdag een doodgewone job moest doen. Zonder Mefisto zou hij zijn missie als kunstenaar veel minder hebben kunnen waarmaken. Niet alleen omdat hij zelf niet zo goed was in het regelen van afspraken maar omdat hij minder zou worden uitgedaagd, minder kwaad zou zijn, minder de noodzaak zou voelen om te scheppen tegenover iemand die het andere deed. Destructie. Ontmoediging. Verveling en verval. God mocht Mefisto niet laten winnen, daarom schiep hij. Maar de strijd was zwaar. De schepping van de nieuwe mens leek hem plots veel minder noodzakelijk. Bezorgd keek hij naar Zaza die nog steeds op dezelfde plaats stond.
„Ik ga even een sigaret roken,” zei hij.
„Je was toch gestopt?” vroeg Zaza maar nog vòòr haar zin af was, was hij al verdwenen.

3. Johnny Depp?

Op het bureau lag de map Mens. Afbeeldingen Volume I open op een zwart-witfoto van Mapplethorpe uit 1982. Een donkere en een lichte man omhelsden elkaar teder en zonder schroom, hun hoofden diep in elkaars halzen gebogen. Zaza had de foto geselecteerd omdat ze geloofde dat de huidige mens liefdevol en autonoom kon zijn, in staat om zelf te beslissen wie hij beminde, en bij machte dat te doen zonder terughoudendheid of angst. Ze vond dat kiezen voor een liefde gelijk stond aan kiezen voor een leven, en voor haar was dat misschien wel de grondslag van het het project waar ze nog maar sinds kort aan deelnam. Maar ze twijfelde. Misschien hoopte ze alleen maar dat de mens die ze samen met God wilde scheppen vrij was, terwijl de werkelijkheid anders was. Ze keek naar de muur met geprinte beelden en besloot de omhelzing van Mapplethorpe erbij te hangen. Strikt genomen was dat niet haar taak, maar ze kon het niet laten. Uit het overzicht dat de komende dagen zou ontstaan, zou God een beeld moeten distilleren dat aanvaardbaar en vernieuwend was. Maar het waren moeilijke tijden voor een dergelijke klus. De mens was tot een wrang thema verworden. Althans, zo dacht Zaza erover. Ze was wel zo wijs haar mening voor zich te houden, maar in stilte vond ze de mens zoals die op straat liep egoïstisch, vernielzuchtig, chaotisch en lomp. Ze had het gevoel dat er slechts wolven en schapen waren en dat het voor de meesten zaak was zo snel mogelijk tot de klasse van de roofdieren toe te treden. Desondanks geloofde ze vurig in schoonheid en in de verheffende kracht ervan. Maar net daarom behoorde ze tot een minderheid die doorgaans gek werd na een leven vol overbodige conflicten met mensen die er niet toe doen.
Ze hoopte dat ze deze job nog lang kon houden. Als God haar nu ook nog iets meer als zijn gelijke behandelde kon er wat haar betrof weinig stuk. Ze liep naar de keuken en nam een blikje cola uit de koelkast. Terwijl ze er rechtstaand van dronk hoorde ze God de trap op komen. Hij liep door de kantoorruimte naar zijn bureau en ging zitten.
Hij tikte opnieuw een term in op Google en kwam uit bij een scherm vol afbeeldingen. Hij klikte en met zijn neus bijna tegen de computer geduwd maakte hij allerlei vreemde geluiden. Inmiddels was hij bij afbeeldingen uit de Japanse anime beland. Na veelvuldig steunen en zuchten vond hij wat hij zocht: een tekening van een fors gebouwde man zonder hoofd. Op zijn rug stonden kleurige bloemen getatoeëerd, en de blaadjes ervan waren op surrealistische wijze op de grond naast zijn hoofd gevallen. Hij bromde wat tegen de haperende printer maar na wat getrek en geduw kwam er toch een kleurig vel papier uit het toestel.
Terwijl hij het beeld aan de muur bevestigde kwam Zaza binnen.
„Tatoeages?” vroeg ze.
„Die doen er niet zo toe,” zei God. „Deze figuur mist zijn hoofd en de versiering op zijn lichaam blijkt ook nog te verwelken. Ik weet niet juist waarom maar het beeld bevalt me wel. Ik denk dat ik voor de nieuwe mens op zoek ben naar een gepijnigd maar ook een magisch iemand.”
„Gepijnigd maar magisch,” herhaalde Zaza.
„Neem de Adam van Van Eyck, die ziet er ook niet blij uit. Om nog maar te zwijgen van Eva in het Lam Gods. Dat stel draagt een leed dat haast onnoembaar is, dat kan je zo zien. En terecht, want door hen kon de mens niet langer in het paradijs leven.” Zonder het te weten sprak God tegen Zaza in plaatselijke variant van het Sanskriet.
Ze staarde God aan. „Wàt zeg je?”
„Maar toch is de Adam van Van Eyck een mooie man,” vervolgde hij in het Nederlands. „Hij heeft een gloedvolle blik, een volle bos haar en een warme uitstraling, zelfs voor iemand uit de vijftiende eeuw. Mijn mens moet dat ook zijn: sexy, gepijnigd en magisch. Wie voldoet volgens jou aan die omschrijving?”
Zaza dacht na.
„Kevin Spacey?”
„Hm, vind je hem sexy?”
„Nogal, hij heeft een leuke lach.”
„Dat is geen lach maar een spierkramp,” gromde God. „En hij heeft iets kinderachtigs. Dat hoort niet voor de mens die ik zoek.”
„Johnny Depp?”
God rolde met zijn ogen en zuchtte.
„Dita Von Teese?”
„Ken ik niet.”
„Monica Bellucci?”
„Die weet heel goed van zichzelf dat ze knap is,” zei God. „Het moet iemand zijn die zelfbewust is maar niet ijdel. De Adam die we tot nog toe hadden was maar een marionet, een pop in de handen van het lot. Daar hou ik eigenlijk niet zo van. Ik zou liever een mens willen die…”
„Zijn lot in eigen handen neemt,” vulde Zaza aan, maar weer vond ze dat ze te haastig gereageerd had. Niemand houdt ervan wanneer anderen je zinnen afmaken.
„Inderdaad,” antwoordde God terwijl hij Zaza aankeek met dichtgeknepen ogen.
Toen ging de bel.
„Het is de klei,” zei God. „Die zullen we met de lift naar boven moeten halen.”
Hij liep de trap af naar de voordeur en stond een man te woord die met de levering kwam. hij reed twee zware pakketten met een karretje naar de lift en zette ze daar af. Toen liet hij God tekenen en dat was dat.

Op de eerste verdieping, naast de ruimte die ingericht was als kantoor voor hemzelf en Zaza bevond zich het atelier. De deur ervan gaf uit op de trap en op de goederenlift. Die lift was ruim, als het nodig was kon je er een paard in omhoog takelen. Dat was nodig omdat God soms omvangrijke sculpturen en maquettes maakte, en die moesten nu eenmaal soms de deur uit. Ook kwamen materialen toe die je onmogelijk via de trap naar boven kon verstouwen. Omwille van al dat sleuren was een atelier op het gelijkvloers handiger geweest, maar op de eerste verdieping waren grotere vensters, aanzienlijk beter licht en geschiktere vibes, zoals God ze noemde. Hij dartelde rond zijn verse klei als een kind rond een draaimolen en streelde het spul alsof het pels was.
„Je bent heel gelukkig met de klei, is het niet?” vroeg Zaza met een zekere bewondering in haar stem. Ze had niet gedacht dat haar partner zo kon opgaan in de materie, maar ze vond het wel een koddig gezicht. God keek haar stralend aan.
„Dit is de beste klei van de wereld,” zei hij. „De samenstelling is zo zuiver dat je heel lang en heel precies kunt werken. Met dit materiaal kan je alles doen. Het breekt niet, het wordt nooit taai en het heeft een erg fijne textuur. Het is een nieuw soort klei die speciaal voor dit soort werk ontwikkeld is en die de menselijke huid bijna perfect imiteert. Het spul is heel duur, onbetaalbaar zelfs. Maar Mefisto zorgde voor een contract waardoor het bedrijf dat het onderzoek deed, met ons samen wil werken.” Hij vervolgde:
„dit is het écht. Wat je hier voor je ziet is het nieuwe begin.”
„Het begin van de nieuwe Adam en Eva.”
„Inderdaad. Anders en beter.”
„Maak je de nieuwe Eva weer uit een rib van de man?”
„Maar nee,” sprak God geërgerd, „dat is nooit zo geweest. Dat verhaal over die rib was maar een verzinsel van een stelletje halvegare bijbelschrijvers. Die kerels hebben voor heel veel onnodige problemen gezorgd. Het is net om in de toekomst zulke aberraties te vermijden dat ik jou aangeworven heb. De begeleidende tekst moet dit keer door iemand geschreven worden die in ieder geval voldoende lang gestudeerd heeft. Want zoals er de eerste keer stommiteiten zijn begaan, dat wil ik niet nog een keer meemaken. Man en vrouw zijn allebei gemaakt uit dezelfde klei, zij het dan in een lichtjes aangepaste versie. Dat hoort ook zo, er is steeds van alle dingen twee. Balans, balans, balans. In principe zouden we beide geslachten nog gelijkender kunnen maken, maar dan wordt het me toch een saaie boel. En dat wil ik liever niet. Ik vind het wel leuk dat de mens van zijn naaste houdt omdat hij anders is.”
„Of zij,” vulde Zaza aan.
„Of omdat zij anders is,” herhaalde God gedwee.
„Of zij van haar en hij van hem,” voegde Zaza toe.
„Ja,” het geduld van God raakte op.
„Dus in dat opzicht wijken we niet zoveel af van het oorspronkelijke model?”
„Nee, de verschillen tussen de beide geslachten blijven subtiel. Maar de theorie moet wel anders. In het nieuwe scheppingsverhaal moet het over twee figuren gaan die op hetzelfde moment tot leven worden gewekt.”
„Oké,” zei Zaza, „zoals het werkelijk verloopt of met een beetje mysterie erbij?”
„Dat weet ik nog niet. Er zitten op dit moment nog veel gaten in de schepping, maar ik reken erop dat we die samen zullen kunnen dichten. Hoe we dat doen is mij nu nog niet duidelijk, maar het is wél de bedoeling dat we de tekst samen bespreken en dat hetgeen erin zal staan juridisch-technisch in orde is. Ik wil geen processen aan mijn been en ik wil ook geen sociale wanorde meer in verband met ongelijkheid tussen de seksen.”
„Goed. Ik denk erover na. Heb je me op dit moment nog nodig?”
„Nee, hoezo?”
„Ik heb honger. Als je het niet erg vindt ben ik een uurtje weg om te lunchen.”
„Geen probleem, tot straks.”
Zaza liep de trap af en trok beneden in de hal een mantel aan die goed paste bij haar jurk. Ze haalde het elastiekje uit haar haar. Toen nam ze een lippenstift en kleurde haar lippen bij in een spiegeltje boven een marmeren blad.

Het huis waar zij en God werkten was een groot oud pand met een voortuintje vlak buiten het centrum van de stad. Het was een deftig maar onopvallend herenhuis in een deftige maar onopvallende straat. Er hing geen koperen bord naast de voordeur, bezoek kwam er zelden en er ontstond nooit tumult. Niemand vermoedde dat uitgerekend hier gewerkt werd aan de schepping van de mens. Als je wat aan de buren zou hebben gevraagd, zouden ze zelfs niet hebben vermoed dat er een kunstenaar aan de slag was. Maar het was dan ook een beetje vreemd gesteld met God. Hoewel hij internationaal bekend en succesvol was, hield hij erg van discretie. Niet opvallen was zijn devies en als het moest kon hij uiterst handig opgaan in de context. Hij was tuk op indruk maken met wat hij deed maar niet met wie hij was. Dat kwam niet omdat hij zo bescheiden was maar omdat hij geheimzinnigheid stijlvol vond. Terwijl hij drukke kunstenaars bekeek op zijn flatscreen-tv glimlachte hij steeds ietwat zelfvoldaan. Zijn afwezigheid in de media gaf hem een gevoel van superioriteit en hij vond het aangenaam om op gelegenheden te kunnen verschijnen zonder herkend te worden. Dat was ooit wel anders geweest, maar hij had zijn les geleerd en op zijn veertigste was hij een onopvallend leven beginnen leiden. Hij kon verdwijnen uit een ruimte zoals Houdini uit een touw: snel, geruisloos en zonder poespas. Hij hield van erkenning maar niet van roem en als hij gebeld werd voor een interview of uitleg, weigerde hij altijd beleefd. Hij vond dat een kunstenaar aanwezig moest zijn met zijn oeuvre en niet, zoals het tegenwoordig vaak ging, met zijn persoon. Maar in de praktijk viel dat moeilijk. Journalisten vonden die houding pedant. Wanneer God een zeldzame tentoonstelling had werd hij vaker wel dan niet neergesabeld.
Hij liep naar de keuken, nam een banaan en at ze op terwijl hij vanuit het venster op de eerste verdieping naar de wegwandelende Zaza keek. De schil liet hij achteloos op de vensterbank liggen.

4. De onheilsprofeet

Toen God eindelijk arriveerde in zijn huis in een ander deel van de stad was het rond vier uur ‘s nachts. Hij zag er moe en afgetobd uit. Zijn haar lag in vreemde plukken op zijn hoofd, zijn hemd hing uit zijn broek, zijn jasje was gescheurd aan de naad bij de schouders en er sijpelde bloed uit een schram op zijn wang. Hij stak een imposante Murano-kroonluchter aan die in de tweede zitkamer hing, schrok van het licht en knipte de schakelaar weer uit. In het donker gooide hij zijn jas op een stoel en trapte met zijn voet op de aan- en uitknop van een staande lamp. Hij schonk zich een dubbele whisky in en zakte ermee in een brede fauteuil. Doordat zijn broek omhoog kroop kon je zien dat hij geen sokken aanhad. Die was hij eerder op de avond vergeten in een wat groezelig etablissement voor mensen met een onalledaagse seksuele voorkeur. Hij goot grote slokken whisky naar binnen en staarde in het niets. Zijn handen zagen er schilferig en rood uit alsof hij ze in een bad met zuur had gelegd. Zoals hij er nu bijzat was God een wrak. Dat wist hij zelf ook, maar hij was oud en wijs genoeg om zijn zorgen alleen te dragen. Hij liet zijn hoofd tegen de rugleuning van de fauteuil vallen en kreunde lang.
Op de omlijsting van de monumentale haard in de eerste zitkamer stond de opgezette kop van een witte tijger. Het beest was vereeuwigd met een woedende trek om zijn muil, wat hem als sierstuk extra veel dramatisch kracht gaf. Voor de grap had God de kop in de richting van het venster gedraaid, zodat de tijger met zijn dode ogen kon zien wat er op straat gebeurde. Boven het zwarte marmeren blad van de haard hing een schilderij van Caravaggio. De Italiaanse kunstenaar had een huilende Magdalena geschilderd met een eenvoudige jurk en twee omhooggebonden vlechten. Ze zat voorovergebogen te snikken op een houten stoel, en wreef met een zakdoek tranen uit haar ogen. Het was een heel onconventioneel doek, maar juist omdat het zo realistisch en ongekunsteld was vond God het bijzonder. Boven de andere haard hing een spiegel in een koperen lijst. Daarboven wezen een paar kronkelende antilopenhoorns naar het beschilderde plafond. Twee gedraaide zuilen flankeerden de doorgang naar de tweede zitkamer. Daar had God een gigantisch doek neergezet van een zestal jonge mensen die verwikkeld waren in een orgie. Het barokke tafereel was geschilderd door een jonge Britse kunstenaar die nu al onbetaalbaar was, en die ook zelf veel deelnam aan dergelijke coke- en sekspartijen. De Brit kreeg de tweede zitkamer helemaal voor zich alleen. God had er enkel een comfortabele stoel neergezet van waaruit hij uren aan een stuk naar het schilderij kon kijken. Helemaal achteraan in een ruime nis stond een Romeinse witmarmeren Hercules. De jonge held triomfeerde met een brandende fakkel en de afgehouwen kop van een slang in de hand. Het standbeeld gaf de strijd met de negenkoppige Hydra weer. Telkens wanneer de slang een kop verloor groeiden er twee nieuwe aan. maar Hercules kon de wonden dichtschroeien met brandende stukken hout waardoor er geen nieuwe koppen meer uit het slangenlijf ontsproten. Als een kunstwerk hem beviel kocht God het graag, al was zijn smaak zo apart en beladen dat maar weinig bezoekers het uithielden in zijn huis.

Na één slok van zijn drankje was God in slaap gevallen. Zijn omgevallen glas lag naast hem op de zitting van fauteuil. Hoewel hij nog maar halverwege de veertig was zag hij er afgemat en oud uit. Hij had een zware nacht achter de rug en de paar uurtjes slaap zouden hem niet van zijn vermoeidheid afhelpen. Straks zou hij als een gebroken man uit zijn stoel kruipen en door het huis strompelen op zoek naar sigaretten. Na een pathetische ochtendwalging zou hij erin slagen zich te douchen en te kleden, om uiteindelijk een heel klein beetje te beginnen leven bij de gedachte aan zijn werk. En aan Zaza. Het was rond halfzes in de ochtend. Het zou nog even duren vooraleer het grijze ochtendlicht door de hoge vensters naar binnen zou glippen. Terwijl hij sliep, hing tegen het met naakten beschilderde plafond een vleermuis met gespreide vleugels. Het beest was abnormaal groot, de spanwijdte van de vleugels liep op tot anderhalve meter. Zijn zwarte kraaloogjes waren open en keken God onafgebroken aan. De vleermuis hing doodstil, zijn donkere dooraderde vleugels als schaduwen in de nacht. Tegen de ochtend zou het zijn met huid bespannen pootjes dichtvouwen en ondersteboven in een hoek gaan hangen. Maar nu was het een wachter die elke beweging in zich opnam en elke inbreng van buitenaf kon verhinderen als dat nodig was.

Rond halftwaalf kwam God toe in het huis waar zijn atelier gevestigd was. Het was een zonnige dag in de herfst en het licht deed hem goed na zijn nacht bij de hoeren. Hij zette zijn fiets tegen het muurtje in de voortuin, hoestte de rook uit zijn longen en ging binnen. Op zijn tochtje met de fiets had hij besloten snel te beginnen met de klei. Hij zou meerdere versies maken van de ultieme nieuwe mens, maar de eerste zou toch de belangrijkste blijven. Het vooruitzicht gaf hem moed en energie, en hij dacht eraan Zaza te vragen als model voor de vrouwelijke mens. Met een glimlacht vloog hij de trap op. Maar toen hij in de openstaande deur van de kantoorruimte keek betrok zijn gezicht. Mefisto was er ook. Zodra hij binnenkwam keken hij en Zaza God aan met een somber gezicht.
„Oei. Dat ziet er niet goed uit. Slechts nieuws?”
„Nogal,” zei Mefisto. Hij zat op de blauwe bureaustoel van God en hield een bruine leren aktentas bij de hand.
„Zeg op!”
„Het MoMA wil je geen grote tentoonstelling geven. Men komt terug op de mondelinge afspraak maar biedt als compensatie, omdat de afspraken al ongeveer vastlagen, een kleine zaal. Wel moet het project dan veel sneller van start gaan. Ze willen de installaties en sculpturen al over zes maanden tonen, als dat mogelijk is uiteraard.”
„En als het niet mogelijk is?”
„Tja, dan wordt alles afgeblazen. Het hele idee. Maar de gesprekken met de andere musea zijn wel nog lopende. Zoals het er nu voorstaat doet alleen het MoMA moeilijk.”
God zuchtte.
„Nee,” zei hij. „Ik kan niet over een half jaar al op de proppen komen met een embryonaal project. Dat staat niet en het past ook niet in mijn praktijk. Wat een nonsens zeg. Wat die lui voorstellen slaat gewoon nergens op. Bovendien krijgt het MoMA dan krediet terwijl de andere musea, die zich wél professioneel gedragen, met lege handen achterblijven. In plaats van een toegeving te doen zouden we het MoMA beter voor de rechter slepen. Denk je niet?”
„Dat zou ik niet doen,” zei Mefisto. „Dan verziek je relaties die op dit moment nog werkbaar zijn.”
„Het idee was dat we de Nieuwe Mens eerst in New York zouden presenteren – incluis een behoorlijke catalogus, film, projecties en prachtig ingerichte zalen, zoals je weet – en dat we daarna naar Londen, Parijs en Keulen zouden gaan. Dan hadden we een wereldtournee. Zonder het MoMA hebben we alleen Europa, en gezien het belang van het werk is dat te weinig. Heb je dat wel uitgelegd aan die curator?”
„Ja,” reageerde Mefisto, „maar hij is een atheïst. Hij gelooft niet in je.”
God sloeg met zijn vlakke hand op het blad van het bureau. Een doosje met paperclips wipte op en viel op de grond. Op zijn voorhoofd verscheen een diepe rimpel.
„Ik had toch gezegd dat ik zelf contact zou opnemen met het museum en met de baas. Waarom wacht je niet even met je besprekingen tot ik dat gedaan heb?”
„Dat heb je niet gezegd.”
„Hoezo?”
„Gisteren aan de telefoon heb je daar niets van gezegd.”
„Toch wel. Is het niet, Zaza?” God keek naar Zaza alsof zij redding kon brengen. Zaza aarzelde.
„Ik weet het niet meer. Ik denk het wel.”
Er viel een stilte. God staarde naar de vrouw en Mefisto staarde naar zijn aktentas. Boven het huis barstte de zon door het wolkendek.
„Ik ga er maar weer eens vandoor,” zei Mefisto plots. Hij stond recht, trok de kraag van zijn zwarte regenjas recht en maakte aanstalten om te vertrekken. Zijn kale schedel glom in het warme herfstlicht, en Zaza meende twee vlezige stompjes te kunnen ontwaren op de plaats waar zijn voorhoofd plat afboog. Ze wierp een verontruste blik op het hoofd van de man en keek toen naar God, maar hij deed alsof hij haar niet zag.
„Ja ga maar,” zei God, en hij ging met gekruiste armen voor het venster staan.
Zonder een woord nam Mefisto zijn aktentas in zijn rechterhand en liep naar de deur. Hij was een gedrongen man met een sterke nek en een brede borst, alsof zijn kracht een nogal geringe lengte kon compenseren. Hij had niks dat je knap kon noemen, maar hij was ook niet opvallend lelijk. Zijn gezicht stond meestal stuurs maar wie hem beter kende wist dat hij een merkwaardig gevoel voor humor had. Zaza vroeg zich af of hij een vrouw had.
Toen Mefisto weg was zei God: „ik heb een geweldige hekel aan dat onheilsprofetengedrag van hem. Hoe hij elke keer opduikt en binnen de vijf minuten iemand zo grondig kwaad kan krijgen, het moet een bijzondere gave zijn.”
„Maar wat ik niet begrijp,” begon Zaza voorzichtig, „is dit: waarom regel je het niet zelf? Je was toch goed op weg met het MoMA? Maar dan komt hij ineens op de proppen en raken alle plannen in de war.”
„Hij is cofinancier,” zei God mat. „Ik breng een deel van het budget aan en dat doet hij ook. Hij heeft een bepaald belang in de schepping van de nieuwe mens en de wereld. Althans, hij vindt dat hij er ook een rol te vervullen heeft en daarom koopt hij zich in. In ruil voor zijn financiële inspanningen wil hij controle. Hij zit trouwens al heel lang in het project, te lang om hem er nog uit te gooien. Als ik dat zou doen verlies ik niet alleen een onmisbaar deel van de centen maar stort ook de artistieke constructie in. Mijn volledige oeuvre zou niet hebben bestaan zonder hem.”
„Ik snap het niet,” antwoordde Zaza, „op wat voor manier oefent hij dan controle uit? Hij is er toch niet bij wanneer we het concept bespreken?”
„Nee. Maar schijn bedriegt. Zoals je ziet is hij continu betrokken bij alles wat ik doe. Niet dat hij er trouwens enig plezier in schept. Hij is volkomen onartistiek en soms heb ik de indruk dat de vreugde uit mensen zuigen, zijn enige vaardigheid is, maar zonder hem mist mijn werk iets fundamenteels.”
„Dat gaat toch ver?”
„Vind je?”
„Ja. Volgens mij is het beter om als kunstenaar slechte invloeden te bannen. Ik heb het gevoel dat hij je eerder afremt dan stimuleert.”
„Misschien, maar ik kan hem niet vragen om weg te gaan.”
„Waarom niet?”
„Hij is mijn broer.”
Zaza floot zachtjes tussen haar tanden Ze had wat tijd nodig om de informatie te laten doordringen. Zijn broer! Dat had ze niet gedacht. Ze brandde van verlangen om God te vertellen dat zelfs een broer het scheppingsproces niet mocht bemoeilijken, maar ze voelde dat ze beter haar mond kon houden. Hier was duidelijk sprake van een relatie die veel complexer was dan ze kon vermoeden. Ze begreep dat God en zijn broer niet zomaar van elkaar konden worden losgekoppeld. Kennelijk hadden ze al heel lang een pact gesloten waar niemand vat op konden krijgen. Maar toch vond ze dat er iets niet klopte. Was God niet nogal gedwee in het aanvaarden van Mefisto’s destructieve invloed? Kon hij zich niet verzetten? Ze had stellig de indruk dat ze de informatie niet in één teug kon slikken. Met gebogen hoofd sloop ze weg uit het blikveld van haar partner en verdween ze naar het keukentje. Daar deed ze koffie in een espressoapparaat, drukte op de knop en maakte een klein kopje voor zichzelf.

5. John en Amanda

Ondertussen had God zijn schetsboek gepakt en was hij begonnen aan een mannelijke figuur. John. De nieuwe Eva zou Amanda heten. Amanda en John. John en Amanda. Hij glimlachte stilletjes. Maar met de tekening wilde het niet echt vlotten. De schouders van John waren te breed en God slaagde er niet in hem een menselijk gelaat te geven. Hij smeet zijn schetsboek op het bureau en wreef over zijn gezicht alsof het een deeg was die in de juiste vorm moest worden gekneed. Toen hoorde hij het espressoapparaat in de keuken sissen. Hij liep erheen en zag Zaza staan met haar rug naar hem toe.
„Daar wil ik ook wel wat van,” zei God met schorre stem.
Zaza ging een stap opzij. Ze deed een kastdeur open en haalde er een pakje koekjes uit. Ze schikte de koekjes op een bord terwijl God het lege waterreservoir van het toestel bijvulde.
„Wat doen we nu?” vroeg Zaza hem.
„Hoezo?”
„Gaan we gewoon verder met het project zoals we het hadden gepland?”
God nam een koekje. „Ja,” zei hij krakend. „Ik stuur straks een mailtje naar de baas van het MoMA en dan zien we wel wat er uit de bus komt.”
„En wat als Mefisto gelijk heeft?”
„Dan wordt het een Europese tentoonstelling en doen we gewoon verder zoals afgesproken. Het is niet ideaal maar iets als dit gebeurt wel vaker. We slikken even iets weg en gaan dan door. Of dacht je dat het leven van een kunstenaar altijd op rolletjes liep?”
„Vind je het niet erg dan?”
„Natuurlijk wel, ik vind het een enorme tegenslag. Maar het is niet omdat iemand het belang van ons werk ontkent, dat ik me van mijn stuk laat brengen. Die kerel in het MoMA heeft duidelijk meer verstand van andere dingen dan van kunst. Maar de strijd is nog niet ten volle gestreden. Ik moet nog met een paar mensen praten voordat we New York opgeven. Tot die tijd gaan we nog altijd door zoals gepland.”
Zaza bleef tegen het aanrecht staan en keek naar God die haastig het ene koekje na het andere opat.
„Nog niet ontbeten,” zei hij. „Sorry hoor, maar ik heb erge honger.”
Het gekraak uit zijn mond vulde de hele keuken.
„Heb je eigenlijk een vrouw, of een vriendin?” vroeg Zaza.
„Nee,” zei God, „momenteel heb ik niemand.”
„Gescheiden?” drong Zaza aan.
„Zoiets,” zei God. „Waarom misschien?”
„Ik vraag het zomaar. Omdat je niet ontbeten hebt.”
„Omdat ik niet ontbeten heb wil je weten of ik getrouwd ben? Is dat niet vreemd?”
„Neuh. Is ontbijten niet iets dat je wel eens met zijn tweeën doet?”
„Ik weet het niet. Doe jij het met iemand?”
„Ik heb een vriend,” zei Zaza, „hij heet Ron.”
„Och zo. En wat doet hij in het leven? Is hij ook kunsthistoricus?”
„Nee, hij werkt bij een bedrijf.”
„Hm” God trok een zuur gezicht.
„Had je vroeger wel iemand?” probeerde Zaza weer.
„Ja, maar ze is weggegaan.”
„Waarom?”
God dacht een seconde na. „Het is al bijna vijf jaar geleden. We woonden samen maar ze voelde zich niet gelukkig. Ze vond dat ik teveel tijd besteedde aan mijn werk en te weinig aan haar. Dus ging ze weg.”
„Zo eenvoudig? Op een dag was ze weg?”
„Nee, natuurlijk niet. Er is uiteraard wel tijd over gegaan. We hebben met elkaar gepraat en geprobeerd er iets van te maken, maar ze voelde zich eenzaam binnen onze relatie. We zagen het allebei anders, zij wou meer tijd samen spenderen maar ik had weinig zin in avonden op de bank en een leven dat mij van mijn werk afhield. Dat ze op een dag echt weg zou zijn, had ik echter niet aan zien komen. Ik was erg geschokt toen ik vaststelde dat ze verdwenen was.”
„Jullie hebben geen contact meer met elkaar?”
„Nee.”
„Dat is toch pijnlijk? Geen enkele vorm van gesprek meer? Alleen nog stilte?”
„Ja, maar het alternatief is misschien nog erger. Bovendien is ze met iemand anders samen. Ik denk niet dat er nog plaats is voor mij in haar leven. Volgens mij heeft ze het hoofdstuk definitief afgesloten. Zij heeft haar leven en ik het mijne, van contact is geen sprake meer.”
„Hemeltje. Hield je van haar?”
God staarde naar het bord met koekjes, er waren er nog twee over.
„Vraag jij altijd zomaar alles wat in je opkomt?”
„Ik geloof het wel,” zei Zaza abrupt. „Of vind je dat onze conversatie een te persoonlijke weg op gaat?”
„Ik hield van haar,” knikte God Zaza toe. „Ik geloof zelfs dat ik zonder haar een beetje verloren liep. Het is buitengewoon moeilijk om iemand te vinden bij wie je je thuis voelt, vind je niet?”
„Ja,” zei Zaza, „dat vind ik ook. Ik vraag me zelfs af of het ooit lukt.”
„Het lukt, maar het is niet genoeg. Je moet ook een paar demonen verslaan.”
„Was je werk de enige reden?”
„Nee, wellicht niet. Ik was er niet toen het nodig was, ik leefde voor mezelf en niet voor iemand anders. Het idee dat iemand iets van mij wil, heb ik altijd storend gevonden. Bepaalde emotionele dingen zoals steun, dankbaarheid of vriendschap kan ik moeilijk geven. Als het erop aankomt ben ik maar een egoïstisch ventje, eigenlijk. Dat heeft ze me wel aangerekend.”
„En toen heb je het maar opgegeven?”
„Met haar?”
„Ja? En met eventuele opvolgsters?”
„Hm. Misschien nam ik een pauze. Zij ging weg, daar viel geloof ik niet zoveel aan te verhelpen. Na haar had ik nog wel meer vriendinnen, maar er zat niemand tussen met wie ik iets kon beginnen. Niemand was geschikt.”
„Misschien was jij ook niet geschikt,” beet Zaza God toe.
„Dat zal wel.”
„Hoe heette ze eigenlijk, die vrouw van jou?”
„Stella. Ze heette Stella.”
„Denk je dat het belangrijk is, dat we iemand hebben om van te houden?”
„Zeker wel. Alleen jammer dat het zo verdomde moeilijk is.”
„Om iemand te vinden?”
„En te houden.”
God staarde een paar tellen wezenloos naar een geruite keukenhanddoek die over de klink van deur hing. Zijn gezicht betrok.
„Vind je het niet erg dat die andere man het wel kan en jij niet?”
„Ja. Ik hoop steeds dat het hem ook niet lukt. Eerlijk gezegd wens ik hem in stilte nog altijd een pijnlijke dood toe, maar aan het eind van de dag moet ik toegeven dat hij beter bij haar past dan ik. Volgens mij is hij een betere echtgenoot.”
„Ach komaan, dat geloof je toch zelf niet?” Zaza schudde zachtjes met haar hoofd en keek hem strak aan. „Zo zit de liefde toch niet in elkaar? Een betere echtgenoot, wat is dat? Iemand die waspoeder meebrengt in plaats van champagne? Het gaat toch om het gevoel, toch niet om een passende combinatie van karakters? Misschien verlangt zij nog alle dagen naar je en ging ze weg omdat ze zich overbodig voelde? Wie weet wat voor drama je hebt ontketend?”
God keek haar vreemd aan terwijl hij de laatste koekjes opat.
„Oei,” dacht Zaza, „nu krijg ik zeker de wind van voren.”
Maar God antwoordde: „dat denk ik echt niet. Ik zie haar soms samen met haar nieuwe man en ze lijken best gelukkig. Ze hebben een kind, een zoontje.”
„O”
„Ja, o. Met mij zou ze hem wellicht nooit hebben gehad.”
Zaza knikte begrijpend. Ze wou graag vragen of God dacht dat kinderen willen het criterium was, of het misschien een maat kon zijn voor echte liefde. Maar ze besloot het niet te doen. Ze keek hem even aan en liet haar blik toen naar de vloer glijden. De tegeltjes in het keukentje waren groen en wit. Ze vormden een leuk dambordpatroon.

„Ik ga even wat mails versturen,” kondigde God plotseling aan. „Doe jij deze namiddag de research voor het ontstaansverhaal van John en Amanda?”
„Wie zijn dat?”
„De nieuwe Adam en Eva, ik heb ze namen gegeven. Dat werkt handiger wanneer ze in klei worden gemaakt. En ze hebben ook elk een eigen website nodig. John dot com, lukt dat?”
„Natuurlijk wel. Begin ik met John?”
„Geen idee. Laat je verbeelding maar de vrije loop. Uiteindelijk moeten we met een eigentijds en universeel verhaal op de proppen zien te komen.”
„Heb je een idee hoe we dat allemaal gaan tonen?”
„Met een film,” antwoordde God eenvoudig. „We draaien een prachtige film met A-list acteurs en goeie muziek en zo presenteren we de nieuwe mensen Amanda en John. We schetsen de ontstaansgeschiedenis en tonen de verschillende versies van de sculpturen die we in de komende weken en maanden zullen maken.”
„Dus als ik het goed begrijp creëer je eerst de personages en pas dan het verhaal?”
„Ja”
„Wordt het een documentaire of een echte film?”
„Een film, maar uiteraard geen gewone bioscoopfilm. Nee, het wordt iets veel complexer en poëtischer over de geboorte van Amanda en John.”
„Zoals de geboorte van Venus van Botticelli?”
„Ja, maar dan in een hedendaagse versie. Amanda komt niet aangespoeld op een schelp uit de zee. Dat is het nu net, we nemen geen verhaal uit de mythologie, de bijbel of uit welk boek dan ook maar we maken iets helemaal nieuws. Daar moet jij bij helpen door op zoek te gaan naar gegevens – plaatsen, kleuren, beelden, muziek en noem maar op – die vandaag relevant zijn en die beladen zijn met betekenis. Je zal een beetje zoals een kunstenaar moeten denken, maar ik weet zeker dat het je lukt. Schrijf een verhaal in een ruwe versie, de details kunnen we later wel invullen.”

6. Een spottende, miezerige lach

Terwijl Zaza naar haar bureau liep, rijpte een nieuw plan in haar hoofd. Het had weinig te maken met het nieuwe scheppingsverhaal dat ze zou gaan schrijven, maar alles met God die opeens in een ander licht was gaan staan. Hij leed aan een weggestopte, aanhoudende hartenpijn. Dat had ze niet verwacht, en het raakte haar dieper dan ze wilde toegeven. Eigenlijk had ze tot nog toe geloofd dat haar werkgever thuis een nogal doordeweekse, enigszins onbetrokken vader van twee of drie kinderen was. In haar verbeelding had hij een leuke vrouw die goed kon koken en die de kinderen op zaterdag naar de pianoles bracht. Het idee dat hij ‘s avonds in het rond klooide met vage vriendinnen stond haar een tikkeltje tegen. Ze vond het bepaald onaangenaam God te moeten zien als een onfrisse vent met een morsig leven. Hij had immers zoveel talent en er stroomde ontegensprekelijk een hoop gevoel door zijn aderen. Een ongelukkige liefde zou zijn werk niet ten goede komen, het zou zelfs zijn capaciteiten als schepper ondermijnen. Ze besloot het hier niet bij te laten, en toetste op haar mobiel het nummer van Mefisto in.

Nadat God een lange mail naar de baas van het MoMA had gestuurd, ging hij even pauzeren met een sigaret in de voortuin. Het was inmiddels zwaar bewolkt. Hij dacht aan Stella. Hij stond onder het portiek aan de voordeur en stak zijn sigaret aan met een aansteker die hij vroeger van haar had gekregen. De voortuin van het huis zag er verwaarloosd uit. De hazelaars moesten nodig gesnoeid worden. Afgevallen blaadjes bedekten het gras en overal groeide mos, het meeste op een bakstenen brievenbus die aan de straatkant stond weg te teren onder een oude linde. Het zat God enigszins tegen. Dat de afspraak met het MoMA in de soep dreigde te lopen vond hij behoorlijk onaangenaam, maar dat hij zich de laatste dagen eenzaam voelde als een achtergelaten hond verdroeg hij nauwelijks. Zou hij Stella bellen? Neen. Uitgesloten. Er zou niets zijn wat hij tegen haar zou kunnen zeggen zonder haar opnieuw van hem weg te jagen. Hij wilde in geen geval geconfronteerd worden met de brandende pijn die hij vroeger had gevoeld. Als hij contact opnam, zou hij de wonde bijna zeker opnieuw openrijten. Hij voelde zich bedrukt. Twee jongelui reden voorbij op een fiets. Ze lachten en hadden duidelijk plezier in elkaar. God keek hen na met een norse blik. Toen knipte hij met zijn vingers. Heel snel vielen dikke druppels uit de hemel, en in een mum van tijd was het druppelen veranderd in een echte plensbui. Hij trapte zijn sigaret uit, glimlachte heimelijk en haastte zich naar boven. Hij brandde van ongeduld om John uit de klei te trekken. Eerst liep hij naar het moodboard in de kantoorruimte. Hij sloeg geen acht op Zaza die aan het telefoneren was maar griste een papier van de muur waar in zwarte letters ‘sexy, gepijnigd, magisch’ op stond.
„Dat ben ik,” zei hij tegen Zaza die hem vreemd aankeek terwijl ze haar mobieltje tegen haar oor hield. Met het papier in de hand liep God naar het atelier. Hij trok de oranje overall aan die altijd aan het haakje hing en ging zonder dralen aan de slag.

„Hallo, met Mefisto.”
„Goeiedag meneer, u spreekt met Zaza, de medewerkster van God.”
„Zaza… Ach ja, nu weet ik het weer. Hoe kan ik van dienst zijn?”
„Wel, ik heb een bepaald verzoek. Misschien vind u het vreemd maar ik wilde het toch vragen. Het gaat over God. Er is iets…”
„Je belt in verband met het MoMA?”
„Nee, eigenlijk niet. Mijn vraag betreft iets helemaal anders. Het gaat over, eh, Stella.”
„Stella?”
„Ziet u, God en ikzelf hadden nog maar kort geleden een gesprek over relaties. Hij vertelde dat hij vroeger een vriendin had, een zekere Stella, maar dat het een beetje fout is gelopen met hen.”
„Ja, dat weet ik,” zei Mefisto met lijzige stem. Hij loste verder niks. Zaza kreeg het gevoel dat ze een stommiteit beging, maar ze kon niet meer terug. Haar verstand werkte op volle toeren, zoals altijd bij mensen die iets doen waar ze later spijt van krijgen.
„Ik werk hier nog maar pas,” vervolgde ze, „en ik ken verder niemand die hierin zou kunnen helpen. Daarom wend ik me tot u.”
„Ja?” Mefisto klonk vreemd opgetogen.
„Denkt u niet dat het beter zou zijn indien God terug samen kon zijn met de vrouw van wie hij houdt?”
„Misschien, maar heb je het hier met hem over gehad?”
„Nee, dat is het nu net. Ik weet dat hij niet met een ontmoeting zou instemmen. Maar hij kan natuurlijk geen bezwaar hebben tegen een toevallig treffen.”
„En je stelt voor dat ik daar een bepaalde bijdrage in lever? Dat ik iets regel op de een of andere manier?
„Wel, ja. Ziet u, ik vind het zo droevig voor God, ik bedoel, dat hij niemand heeft om op terug te vallen, en dat hij ‘s avonds helemaal alleen thuis komt.” Ze voelde haar gezicht warm worden. Nog even en het zweet zou in kringen onder haar oksels staan.
„Ik weet het niet hoor, daar heeft hij indertijd zelf ook wel voor gezorgd. Want moet je weten, Zaza, hij was niet zo’n beste echtgenoot.” Mefisto sprak haar naam uit met een onaangenaam slepende ‘z’.
„Dat is ongetwijfeld waar, maar ik heb sterk de indruk dat hij inmiddels anders is. Ik denk dat hij dolgraag met Stella zou willen praten.”
„Wil je haar telefoonnummer?” vroeg Mefisto summier.
„Eventueel,” antwoordde Zaza, “maar u kent God veel beter dan ik. Zou u niet kunnen helpen met het vinden een locatie, of misschien met de afspraak zelf?”
„Je wil dat ik een ontmoeting met Stella regel zonder dat hij het in de gaten heeft?”
„Zoiets, ja. Tenzij u liever heeft dat ik het aan iemand anders vraag. Maar ik dacht dat u als broer wellicht de aangewezen persoon was…”
Daarop barstte Mefisto in lachen uit. Hij lachte zo hard en lang dat Zaza een beetje geïrriteerd raakte. „Hahahahahaha,” klonk het zonder onderbreking uit de telefoon. Zaza liet de spottende, miezerige lach in hoor oor weerklinken en wenste dat ze niet had gebeld.
„Wat een eikel,” dacht ze bij zichzelf. Ze herinnerde zich de twee onderhuidse stompjes op zijn voorhoofd en huiverde.
„Goed,” zei Mefisto nadat hij eindelijk uitgelachen was, „ik regel een afspraak voor morgenavond bij Chez Guillaume. Daar gingen ze vroeger wel vaker heen. Jij moet zorgen dat hij op tijd aanwezig is. Halfnegen? Wat denk je ervan, is dat een goed uur?”
„Ja maar morgen al,” sputterde Zaza tegen, „ik weet niet of ik hem zo snel zal kunnen overtuigen.”
„Je moet hem niet overtuigen: lok hem gewoon mee, ik weet zeker dat hij je als een hondje zal volgen.”
Zaza slikte. Mefisto had het gesprek eenzijdig beëindigd en haar voor een voldongen feit geplaatst. Morgen al? Dat was wel heel snel, en niets zei haar dat een ontmoeting tussen Stella en God bevredigend zou aflopen. Ze wreef met de rug van haar hand onder haar linkeroksel en voelde dat de stof van haar jurk doorweekt was. Ze realiseerde zich dat God een blad van de muur was komen scheuren en dat hij iets gezegd had. Maar wat? Ze leunde achterover, ademde diep uit en stond toen op om iets te doen aan de doordringende zweetgeur die om haar heen hing als een gifwolk.

Nadat ze zich in de badkamer had opgefrist ging ze op verkenning in het atelier bij God. Hij had zijn overall aangetrokken en was ernstig bezig de verse klei in een vorm te duwen. Hij deed Zaza denken aan een gekke professor, al wees zijn werkkledij eerder in de richting van een spoorwegarbeider of een ietwat extravagante garagist. Hij was zo geconcentreerd aan het werk dat hij haar niet zag. In deze ruimte, gedomineerd door een man en een enorme homp klei, gebeurde iets van fundamenteel belang. De figuur waaraan God stond te kneden had nog ongedefinieerde vormen. Je kon onmogelijk zeggen of de beeltenis een man of een vrouw zou worden. Zaza zag slechts een menselijke gestalte in een rudimentaire vorm. Wel had God al een hoofd, een romp en een paar benen geschapen maar aan de fijnere trekken was hij nog niet toe gekomen. Zaza maakte zich wat breder, maar nog steeds zag hij haar niet in de deuropening staan. Voor het eerst sinds ze hier werkte vond ze haar baas merkwaardig sexy. Hij was een echte man, schoot het door haar hoofd, die iets creëerde met de kracht en de waardigheid van een koning. Vergeleken bij hem waren alle anderen dwergen, en Zaza besefte met een schok dat de ware aard van haar baas pas tot uiting kwam wanneer hij aan het werk was. Plots was ze verbluft door de grootsheid die van God af straalde. Verward keek ze naar de grond.
Waar heb ik me in ‘s hemelsnaam mee ingelaten? vroeg ze zich een beetje schuldig af. Ze dacht terug aan de koude, magere taal van Mefisto tijdens het telefoongesprek en werd een beetje wee in haar maag. Terwijl ze daar stond kneedde God een paar hoekige schouders en een hals aan het beeld. Hij wreef en duwde en keek zo teder naar zijn werk dat Zaza een steek van jaloezie voelde.
Zo heeft nog nooit iemand naar me gekeken, dacht ze, en ze staarde met grote ronde ogen naar God. Door een rij vensters viel grijs herfstlicht naar binnen, maar omdat dat niet volstond voor het werk schenen twee felle halogeenlampen vanaf het plafond de zaal in. God had de klei in het midden van de ruimte neergezet en was daar aan het boetseren geslagen. Op een lange tafel aan de andere kant van het atelier stond een klein, tien centimeter hoog figuurtje in klei met zijn armpjes omhoog, alsof het naar de hemel wees. Op de twee horizontale stukjes die als handen dienden had God zijn potlood gelegd. Er stonden drie hoge krukken aan de tafel. Voor een atelier was deze ruimte wonderbaarlijk schoon en leeg. In de rechterhoek van de ruimte stond een enorme zwarte koffer. Daarin zaten de bijzondere, door ingenieurs ontworpen lampen die de kleifiguur een menselijk aanschijn moesten geven. De technologie was uniek maar de lampen waren gevaarlijk voor wie er niet mee om kon gaan. Het licht was zo fel dat je er blind van kon worden. Om de lampen hun werk te laten doen moest het te behandelen object omsloten worden door zwarte panelen. Die vormden een vijfhoekige ruimte met een aaneengesloten reeks lampen die tweeënzeventig uur moesten blijven branden. Als alles goed ging zou de nieuwe schepping van God na drie dagen het levenslicht zien. Maar het procédé met de lampen was voorlopig nog zo geheim dat Zaza er geen weet van had. Dat hoefde ook niet. Hoewel ze nog maar pas met God samenwerkte, had ze al begrepen dat hij haar pas dingen vertelde wanneer dat nodig was. Vroeger dan strikt noodzakelijk deed hij het nooit. Op dit moment wist ze niet beter dan dat God bezig was met een kleifiguur. Waarschijnlijk werd het John, maar met hem wist je nooit. Met Hem.

„Heb je zin om morgenavond mee te gaan eten?” Zaza liet de zin zonder omlijsting in de lucht hangen.
Na een hele tijd keek God haar aan. „Wat zeg je?”
Zaza herhaalde het. Haar stem klonk hoger dan anders.
„Waarom ook niet,” zei God, „Goed idee. Heb je iets te vieren?”
„Nee, helemaal niet. Ik dacht dat het misschien leuk zou zijn. Ik heb een paar ideeën voor het scheppingsverhaal, en die zou ik graag met je bespreken.”
„Heel goed. Wat voor ideeën heb je? Zit er een beeldend element in?”
„Dat nog niet, maar ik dacht aan een soort wordingsverhaal dat parallel loopt met een liefdesverhaal. Amanda en John worden pas echt mens door de liefde, iets in die zin lijkt me geschikt om te schrijven. Maar misschien vind je het niks.”
„Ja hoor,” wierp God tegen, „klinkt juist erg goed. Mooi, echt waar.” Hij richtte zijn blik weer op de grote menselijke figuur.
„Dus dan wordt hen leven ingeblazen door de liefde die ze opvatten voor elkaar, begrijp ik het goed?”
„Ja, zoiets. Of ze worden gevormd door de liefde. Zo worden ze mens.”
„Een beetje melig misschien, maar toch wel mooi. Ja, sterk,” sprak God.
„Dank u wel,” antwoordde Zaza.
„Dus ze krijgen een identiteit door de liefde, niet door hun schepper, zoals vroeger?”
„Nee. Niet door hem. Hopelijk vind je dat niet kwetsend?”
„Nee, ik vind het juist prachtig. Laat ze zelfbewust en arrogant zijn, en vol van zichzelf en van elkaar. Weg met die gelaten houding van wachten-tot-God-het-oplost, dat is zo voorbijgestreefd. God glimlachte terwijl hij de oren ruw aan het hoofd zette. Toen zag hij dat het ene oor gevoelig hoger stond dan het andere en vloekte hij binnensmonds. Hij haalde de oren er weer af.
„Hoe ben je op dat idee gekomen?” vroeg hij nog.
„Omdat het om een aanpassing gaat. Ik bedoel, als we hun ontstaansgeschiedenis een update moeten geven, moeten we gebruik maken van een waarde die vandaag nog altijd voor iedereen geldt. Ik heb de indruk dat liefde in dat opzicht wel binnen de mogelijkheden valt. Liefde, dat vinden we toch nog altijd cool?”
„Jazeker,” aarzelde God, „maar wat waren John en Amanda dan voor ze mens werden?”
„Dat weet ik nog niet. Liefdeloze wezens, donkere creaturen zonder ziel en gezicht. Misschien laat ik ze onder de grond leven, in een gangenstelsel of zo, daar moet ik nog over nadenken.”
„In orde. Wat vind je ervan?” God deed een stap achteruit en keek naar zijn schepping. Zaza blikte vanuit de deuropening aandachtig toe.
„Het is perfect,” zei ze, „alle verhoudingen kloppen, hij staat prachtig rechtop en hij heeft een leuk rond zitvlak.”
„Vind je het niet te dik?”
„Het zitvlak?”
„Hm?”
„Nee. Het wordt toch een man, of niet?”
„Ja,” sprak God een tikkeltje geprikkeld, „het wordt mijn evenbeeld. Het wordt een menselijke, imperfecte, enigszins tot pessimisme neigende veertiger met lichaamsbeharing en een buikje.”
„Het is perfect, echt waar,” herhaalde Zaza, „Kun je het alleen af of moet ik je een handje helpen?”
„Ga jij maar aan je verhaal schrijven, ik red me wel.”
„Spijtig,” bromde Zaza, „ik had graag de penis voor mijn rekening genomen.”
„Dat kan niet,” sprak God, „je weet immers niet hoe het voorbeeld eruit ziet.”
„Ik heb verbeelding,” reageerde Zaza, „ik weet me ook zonder voorbeeld te redden. Tenslotte heb ik wel eens eerder een penis gezien.”
„Daar twijfel ik niet aan,” zei God, „maar het zou niet werken. Ik boetseer mijn piet liever zelf.”
„Goed dan,” Zaza lachte als een fijn rinkelend belletje. „Vergeet je morgenavond niet?”
„Nee hoor. Mag ik zo mee of moet ik iets deftigs aantrekken?”
„Maakt niets uit. Ik schaam me toch sowieso als ik met je uit ben.”
„Wat zeg je?”
„Grapje.” Zaza maakte zich haastig uit de voeten.

7. Een schooier of een dief

De volgende dag miezelde het nog steeds. God was met de fiets door de regen gekomen en zijn broek was doorweekt, maar toch was hij in een opperbeste stemming. Hij had zelfs broodjes mee voor Zaza en hemzelf. Hij knipte de lichten aan in de kantoorruimte en in zijn atelier en keek met een tedere blik naar zijn werk. De man in klei had iets weg van een archaïsche, Griekse kouros, hij stond stijf rechtop met de armen los naast het lichaam en met twee rechte, gestrekte benen. Hij oogde nog wat houterig, doorbuigen of een voorwerp vasthouden zat er niet in. Hij staarde blind in de verte met een fijne maar strakke lach om de mond. Haar had hij nog niet – dat zou in een later stadium worden aangebracht – maar het vermogen om te ontroeren beslist wel, vond God. Verrukt liet hij zijn hand over een arm gaan. Hij hield van John, zoveel was zeker, en straks zou hij zijn schepping zo grondig perfectioneren dat iedereen versteld zou staan. Zijn nieuwe man zou briljant zijn, geniaal. Hij zou echter zijn dan de echtste mens en zijn innerlijke kracht zou zo stralen dat iedereen hem zou willen aanraken. Stilletjes hoopte hij op de bewondering van Zaza. In afwachting van haar komst legde hij de koffiekoeken klaar op een groot bord. Toen ging hij aan de computer zitten en haalde zijn mails op. Het waren er ontstellend veel, maar al snel vond God wat hij zocht: het bericht van de baas van het MoMA. Terwijl hij erop klikte hoorde hij Zaza beneden door de voordeur naar binnen komen.

Ze gooide de deur dicht, ritste haar warme jas los en hing hem aan de kapstok. Vervolgens keek ze in het spiegeltje naar haar gezicht: het zag er enigszins rood en kou uit. Haar neus zag ook rood. Het was heel stil in huis, ze vond het raar dat er geen geluid van boven kwamen. Was God er nog niet? Nadat ze een paar tellen stil had staan luisteren ging ze de trap op naar boven. Door de kou liep haar neus een beetje. Ze snoot hem even met een verfrommeld papieren zakdoekje dat ze erna weer in de zak van haar jeans propte. Het was nog steeds ongewoon stil op de eerste verdieping.
„Is er iets?” Zaza vond dat God er vreemd onderuit gezakt bijzat in zijn bureaustoel. „Je lijkt zo ernstig.”
„Ik heb ook redenen om ernstig te zijn.”
„Gaat het over het MoMA?”
„Inderdaad. Ze hebben het project geschrapt. Er komt geen tentoonstelling, zelfs geen kleintje. We kunnen New York definitief op onze buik schrijven.”
„Dat is vreselijk. Zeggen ze er ook bij waarom?”
„Ja.” God zat wit weggetrokken in zijn stoel.
„De grote baas schrijft dat ze het project hebben besproken in een commissie en dat men mijn werk vrijblijvend en weinig origineel vind. Men vond het scheppen van een nieuwe mens in een nieuw tijdperk teveel naar science fiction neigen, en er ontbrak zogenaamd ook een diepere inhoud. Blijkbaar was de commissie evenmin overtuigd van mijn vorige werk. Ze oordeelden dat ik toen teveel het voordeel van de twijfel heb gekregen en een tweede keer willen ze niet meer meegaan in het verhaal. Ze vinden mij kortom een klotenkunstenaar. En dat willen ze graag even laten weten.”
„Ik weet niet wat gezegd,” fluisterde Zaza onthutst.
„Ik ook niet,” zei God.

Een tijdlang zaten ze samen te zwijgen in de kantoorruimte. God staarde voor zich uit en Zaza zeeg neer in haar bureaustoel, zich afvragend wat ze kon doen om hem te troosten. Een keer of twee trok ze het verfrommelde zakdoekje tevoorschijn omdat haar neus liep, tenslotte gooide ze het in de vuilnisbak. Buiten was het miezelen intussen erger geworden. De regen sloeg tegen de vensters en de wind joeg bladeren door de lucht. Hondenweer. Terwijl ze in gedachten verzonken naar buiten zat te staren hoorde ze God haar naam zeggen.
„Zaza, heb je zin in koffie? Ik heb koeken meegebracht.”
Ze keek hem afwezig aan en hij keek met een vreemde blik terug. In de stilte van het moment leek zich een hele nieuwe verstandhouding te ontwikkelen. Tot dan toe had God de touwtjes in handen, hij had Zaza een job bezorgd en gezegd hoe ze die moest invullen. In de hiërarchie stond hij ontegensprekelijk bovenaan. Maar nu kwam er een barst in die verhouding. Door de onfortuinlijke mail zakte God naar een niveau waar gewone stervelingen kampen met tegenslagen en waar Zaza weleens de meerdere kon zijn. Ze rechtte haar rug en stond op.
„Ja,” zei ze, „laten we ons op de koffie gooien.”
Terwijl ze twee kopjes espresso maakte kwam God in het keukentje tegen het aanrecht staan.
„Weet je, ik vind er soms helemaal niks aan om kunstenaar te zijn. Het is een vreselijk juk, een steen rond mijn nek. Hoe hard ik ook mijn best doe, dat gewicht hangt er altijd. Op momenten als deze speel ik wel eens met de gedachte om het op te geven.”
„Meen je dat?” vroeg Zaza oprecht verbaasd. „Ik dacht juist dat je je werk zo graag deed?”
„Bof, dat hangt ervan af.” Hij nam het kopje aan dat Zaza hem toestak en nam er een slok van. De scherpe, volle smaak van de koffie in zijn mond gaf hem een behaaglijk gevoel.
„Ik doe dit al zo lang, soms verlang ik ook wel naar iets anders. Of naar helemaal niets. Er is al zoveel aan dit werk opgegaan. Mijn vrouw vond dat ik te weinig aandacht aan haar besteedde, ik wou geen kinderen omdat ik vreesde dat ik dan een te grote verantwoordelijkheid zou moeten dragen. Je staat in het leven met een papieren huid, en soms lijkt het alsof iedereen daar misbruik van wil maken. Soms ben ik het echt zat. Ik zou een garage kunnen beginnen. Wat denk je ervan, heb je zin om Ferrari’s te verkopen?”
„Nee,” zei Zaza bondig. „Daar heb ik het gezicht niet voor. En het verstand nog minder. Ik weet bitter weinig van Ferrari’s. Ik zou een hopeloos geval zijn in de autobranche.”
„Tja,” zei God, „dat denk ik ook.”
„Geef mij de kunsten maar. Ook al ben jij het zat. Daar kunnen we tenminste echt iets voor de mensen betekenen.”
„O ja?” God klonk harder en cynischer dan hij wou.
„Ik ben natuurlijk nog maar een beginneling, maar als ik rond me heen kijk zijn kunstenaars toch niet degenen die schade aanrichten. Ze brengen geen fundamenteel slecht nieuws, ze houden meestal niet van geweld en ze zijn zodanig met zichzelf begaan dat ze anderen met rust laten. Ik mag ze wel.”
„Ze zijn heilig,” vulde God aan.
„Wellicht niet, ze kunnen al net zo dom en bekrompen zijn als alle anderen, maar in principe kunnen ze anderen meer ontroeren dan wie ook.”
„Maar al dat ontroeren, waar is dat in ‘s hemelsnaam voor nodig?”
„Geen idee, omdat we elkaar anders doodslaan?”
„Dus jij denkt dat kunst mensen beter maakt? Dat het hen ethisch gevoeliger maakt?”
Zaza wreef met haar vinger over haar wenkbrauw en dacht na. „Ik denk het wel,” zei ze. „Ook al zul jij nu wel een paar zeer slechte mensen ter sprake brengen die erg van kunst hielden.”
“Hitler hield van Wagner,” zei God. “En hij schilderde ook.”
„Ja Hitler, ik wist wel dat je hem erbij zou sleuren,” beaamde Zaza, „maar je weet wat ik bedoel. Op dorre aarde kan niets groeien, ook al gaan er nog zoveel penselen overheen.”
„Het is in ieder geval niet om goed te doen dat ik kunst maak,” mompelde God. „Ik doe het om het scheppen, wat voor uitwerking het ook mag hebben. Ik wil een ding van schoonheid en betekenis toevoegen, ook al lacht iedereen mij uit en stel ik als persoon niets voor. Ik mag slecht zijn, venijnig, een dief of een schooier, zolang ik maar dingen de wereld in help die prachtig en vol leven zijn, is het voldoende.”
„Dat klinkt toch een stuk leuker dan Ferrari’s verkopen.”
„Ik doe verder als jij mij helpt met de schepping van Amanda.”
„Amanda?”
„De nieuwe Eva, dat wist je toch?”
„Ach ja, nu je het zegt. Hoe kan ik helpen?”
„Je kan model staan. Je zou een buitengewoon goeie Amanda zijn. Je hebt er de benen voor.”
Zaza keek plots ernstig. Ze vreesde dat dit haar positie naast God wel eens zou kunnen ondergraven. Had ze nog wel gezag zonder kleren? En was ze niet te beschaamd? Ze vond het geen makkelijk voorstel.
„Hier,” zei God, „neem een boterkoekje terwijl je nadenkt.”
„Is model staan niet een beetje uit de tijd?” vroeg ze. Ze nam een hap en dronk het laatste restje koffie uit haar kopje.
„Ja, dat is het wel. Maar ik had me voorgenomen een nieuwe man en vrouw te maken voor de komende decennia en het toeval bracht me een goed voorbeeld. Of ben je verlegen en wil je graag iets aanhouden?” God lachte een beetje schaapachtig.
„Ik weet het niet,” zei Zaza naar waarheid. „Ik heb het nooit gedaan. Maar als je vindt dat het nodig is wil ik het wel proberen. Op voorwaarde dat je vanavond meegaat naar Chez Guillaume.”
„Dat was toch al afgesproken?”
„Oké, dan zit het wel goed.”
Zaza wou eigenlijk liever niet als model opdraven. Ze vond het idee angstaanjagend en ze zou zich hoe dan ook te pletter schamen. Ze begreep niet dat er mensen waren die graag in hun blote niks op een podium wilden staan. Zijzelf beleefde haar sociale leven in elk geval liever met een minimale hoeveelheid textiel rond haar lichaam. Niet dat ze echt iets had om zich over te schamen, maar dat kleine puntje van zelfvertrouwen volstond maar nauwelijks. Ze had liever geweigerd, maar na de ontmoedigende mail van het MoMA durfde ze niet. Dus zei ze ja, ook al dacht ze het tegenovergestelde. Bovendien vond ze het verwarrend dat God toenadering zocht net nu ze een afspraak met Stella had geregeld. Kauwend op het laatste stukje boterkoek vroeg ze zich af of ze soms verliefd was. Maar God was bijna twintig jaar ouder dan zij, en bovendien had ze de indruk dat hij niet meer zo soepel was in zijn omgang met vrouwen. Hij had zijn eigen gewoontes en routines en daar leek niet zoveel meer aan te kunnen worden getornd. Ze twijfelde en beet een stukje huid aan haar vingernagel weg toen ze dacht aan het op handen zijnde poseren.

Intussen was God naar zijn atelier gegaan om verder te werken aan de kleien John. Met zijn boterkoek nog tussen de tanden duwde hij zacht tegen de ronde kin zodat die wat rechter en breder werd. Op slag zag John er mannelijker uit. Met zijn twee wijsvingers maakte God een fijn neusbeen en met zijn middenvinger duwde hij twee mooie kleine neusgaten in de klei. Toen deed hij een stapje achteruit en keek gespannen naar zijn werk. Hij at zijn koffiekoek alsof het een droge klont was en spoelde hem door met water uit een flesje. Dan trok hij zijn oranje werkmanspak aan en zette hij Orfeo van Monteverdi op. Het trage melodieuze gezang bracht hem naar een andere wereld, een plaats waar geluk zacht en verdriet subtiel was. De klanken en het gezang drongen de ontmoedigende mail van daarnet naar de achtergrond. Nog even en God zou volledig opgaan in de schepping van John, de toekomstige man die sexy, magisch en gepijnigd zou worden zoals zijn schepper. De ogen duwde hij een klein beetje dieper zodat het gezicht een waarneembare, dramatische uitdrukking kreeg. De wangen werden smaller en het kaakbeen iets hoekiger, en met een mes trok God uiterst behoedzaam twee streepjes die van de neusvleugels naar het onderste punt van de wangen liepen. Boven de linkerwenkbrauw kerfde hij een verticale frons en onder de onderlip een horizontaal lijntje. John kreeg een klassieke mond met smalle maar goedgevormde lippen. Toen God het gezicht in beschouwing nam vond hij zijn schepping nobel maar te jong. Deze nieuwe man moest een beetje getekend zijn door het leven, opnieuw een broekje de wereld in schoppen zou onverantwoord zijn. Hetzelfde gold voor Amanda, al vreesde God dat Zaza dat minder zou kunnen waarderen. Soit, minstens tien jaar moesten er bij John bijkomen, en terwijl hij nadacht dronk hij nog een slok uit het inmiddels met klei besmeurde flesje mineraalwater.

8. Slome, oude vent

God wist dat de critici zouden vragen naar het waarom. Waarom moest er met alle geweld een nieuwe mens geschapen worden? Het antwoord was eenvoudig: omdat de oude versie achterhaald was. De mens was met zoveel negativiteit overladen dat er nood was aan een nieuwe, een frissere, betere, verantwoordelijker en meer feilbare versie. Het huidige exemplaar was verworden tot een vreugdeloos en versleten, opgefokt en depressief wezen, verslaafd aan medicatie en consumptie en geneigd tot een afschuwelijke banaliteit. Als God naar de wereld keek zag hij niets anders dan een geestdodende, ontredderende leegheid. Bijna niemand wist nog wat er hem of haar te doen stond in het leven. De mensen die God op straat tegenkwam, waren moe en leeg. Ze hadden niets te vertellen, ze namen absoluut nergens verantwoordelijkheid voor en ze waren overweldigend zelfzuchtig. Ze aten te veel en te vet en ze dronken vrijwel dagelijks. Ze waren overdreven productief en onmatig in bijna alles, en ze hadden absoluut geen stijl. God keek om zich heen en zag bijna niets dat hem kon bekoren. Alleen kinderen vond hij nog enigszins waardig, maar die jeugdige voornaamheid verdampte telkens zo plots en beslist dat het beetje hoop dat van de kinderen uitging verwaarloosbaar was. Het schrijnende onevenwicht dat was ontstaan, wortelde volgens God in een veel te hoge existentiële druk. Al vanaf hun prilste jaren waren mensen zonder de minste zin voor nuancering verplicht om te slagen. Ze moésten slagen, en om die reden waren ze gedwongen koortsachtig te werken, te consumeren en te neuken. Dat in geen van deze drie basisbedrijvigheden nog liefde of maat lag, vond God ontstellend. Hij had veel nagedacht over mogelijke oplossingen, maar uiteindelijk was hij tot de slotsom gekomen dat het scheppen van een volledig nieuwe mens het beste was. Natuurlijk zou de gehele wereldbevolking niet op slag mild en kunstzinnig worden, maar op termijn zouden mensen beslist in de goede richting evolueren. Hij had het tenslotte ooit nog gedaan. Niemand die zei dat hij zijn uitvinding niet mocht verbeteren.

Dit keer zou hij een mens maken die volkomener en serener was, iemand die minder onverzadigbaar en minder verblind was door fonkelende prullen. Hij zou zorgen voor hernieuwde hoop. Hoewel John en Amanda op zichzelf weinig aan de voortgang van de wereld konden veranderen, konden ze wel degelijk zorgen voor een nieuw geluid. Ze zouden engelen zijn die mensen konden inspireren. Bij deze gedachte glimlachte God naar zijn evenbeeld. Op zijn gezicht verscheen een verheugde uitdrukking die erg contrasteerde met de concentratie van daarnet. Hij voelde zich machtig en onverslaanbaar, en in zijn grote atelier zong hij luidkeels mee met Monteverdi’s Pluto, de sombere heerser van de onderwereld.
Toen nam hij een fijn mesje en boetseerde twee papierachtige, fijne walletjes onder de ogen van John. Terwijl hij werkte raakte hij zijn besef van tijd kwijt. Hij zag ook niet dat een grote zwarte vleermuis hoog achter hem tegen het plafond was komen zitten. Het dier hing omgekeerd aan het ophangsysteem van een halogeenlamp. Zijn vleugels waren dicht, maar met zijn kleine donkere ogen volgde het elke beweging die God maakte. Door zijn abnormale afmetingen sprong de vleermuis onmiddellijk in het oog, maar God ging zo op in zijn werk dat al de rest aan zijn aandacht ontsnapte. Terwijl John een paar stevige soldatenknieën kreeg, werd het buiten langzaam donker. Nog even en de straatverlichting zou aangaan.

„Ik ga even naar huis om iets anders aan te trekken.” Zaza stak haar hoofd door de deur en keek nieuwsgierig toe.
„O,” zuchtte ze, „wat een buitengewoon beeld. Hij lijkt net echt. Wat is hij knap zeg.” Ze kon haar bewondering niet voor zich houden. Het leek wel alsof het beeld haar persoonlijk toelachte, omdat hij haar zo leuk vond. Zaza voelde zich opgetogen.
„Wacht even,” zei God, „we moeten de panelen rond het beeld plaatsen. Het zijn geen zware stukken maar ze zijn wel groot. Het zou erg van pas komen als je even een handje wilde helpen. Daarna gaan we de realisatie van John vieren bij Guillaume.”
„Wat voor panelen?”” vroeg Zaza verwonderd.
„Wel, het materiaal waaruit John is gemaakt moet belicht worden met speciale lampen. Op die manier wordt de bruine kleikleur rozig, of vleeskleurig zoals huid hoort te zijn. We hoeven John namelijk niet te bakken of af te gieten, we gaan hem onderwerpen aan een nieuw proces dat een paar dagen in beslag neemt. In die tijd verandert de kleur én de samenstelling van de klei. De plastic textuur wordt zacht en elastisch zoals echte huid. Dat komt niet door de warmte maar door het soort licht dat de lampen produceren. Ingenieurs hebben dit hele procédé samen met mij ontwikkeld om een zo goed mogelijk prototype te maken. Als het spul voldoende getest en ontwikkeld is – want dat is het nu nog niet – kan het wellicht ook worden toegepast op mensen. Er zullen brandwonden en littekens mee kunnen worden weggewerkt. In een later stadium zouden we zelfs organen en ledematen kunnen maken. Deze klei is ongelooflijk flexibel en sterk. Als de lampen hun werk gedaan hebben zal John niet meer te onderscheiden zijn van een echte man.
„Goh, dan is hij jouw evenbeeld?”
„Inderdaad. En kijk eens hoe knap hij nu al is.”
„Ja, dat is hij echt,” meende Zaza verbluft. „Ik sta ervan te kijken.” Terwijl ze een rondje rond hem heen wandelde bekeek ze zijn diepliggende, wijze ogen, zijn fijne schouders, zijn vriendelijke borst en zijn benige voeten. Ze strekte haar hand uit naar zijn rug.
„Niet aankomen,” donderde God, „hij moet nog drogen. Straks krijgen we nog vlekken.”
„Sorry hoor,” zei Zaza, „maar hij ziet er erg leuk uit. Ik wou hem graag even strelen.”
God keek streng. „Help je even met de panelen?”

Rondom de kleien John groeide langzaam een ingewikkelde doos.
„Het lijkt wel een zonnebank,” merkte Zaza op terwijl ze een plaat tegen haar handen liet steunen.
„Dat is het ook zo’n beetje,” zei God, „maar dan ingewikkelder en veel gevaarlijker voor de mens.”
De doos had de vorm van een vijfhoek. Tussen de lampen en de buitenste afdekplaat zaten nog verschillende andere lagen die het licht moesten weerkaatsen. Na een half uur sleutelen zat het kleibeeld opgesloten in de kooi en besloot God een eerste poging te wagen. Zaza knipte het licht van de halogeenlampen uit en keek gespannen toe. God gaf een code in op een laptop en duwde op enter. Er verscheen een balkje dat sneller volliep dan verwacht. Zonder adem te halen keek God door de donkere zaal naar naar de rechtopstaande, zwarte vijfhoek. Die akelig stil en donker bleef.
„Dat kan niet waar zijn,” fluisterde God. Hij keek opnieuw naar het oplichtende scherm van zijn laptop en wreef bezorgd over zijn kin. Toen gingen plots de lampen aan. Een golf van koud blauw licht stroomde door het atelier. Bovenaan was de vijfhoek nog open. Door het gat bovenaan kon je zien hoe fel de lampen schenen.
„Kan dat kwaad?” vroeg Zaza aarzelend.
„Ik zou het eerlijk gezegd ook niet weten,” zei God. „Maar ze hebben ons geen deksel bezorgd, dus neem ik aan dat de doos bovenaan open is. En als het niet zo is zullen we het wel merken.” Hij lachte vrolijk. Zijn experiment was tot dusver geslaagd.
„Hoé denk je dat we het gaan merken?”
„O gewoon, misschien brandt het licht een gat in het plafond.”
„Je meent het?”
„Nee hoor, dat lijkt me sterk. Volgens mij kan het plafond er wel tegen. Zolang er niemand in het atelier komt is er wellicht geen gevaar.”
„Zal ik dan nu even wat anders aantrekken?”
„Waarom ga je niet zo? Je bent toch mooi?”
Zaza glimlachte. „Dankjewel. Maar het is toch nog te vroeg om naar Chez Guillaume te vertrekken. En ik trek liever iets leuks aan om de geboorte van John te vieren.”
„Hij is nog niet geboren. Eigenlijk is hij nu een foetus. Hij is nog in de maak.”
„Maar hij is toch al bijna af?”
„Nee,” zei God beslist, „hij heeft nog geen haar. Zoals hij nu is, is hij nog veel te naakt om de wereld ingestuurd te worden. Hij is nog maar een poging, geen geslaagde missie.”
„Wanneer krijgt hij haar?”
„Nadat hij drie dagen in de doos heeft gestaan. Vooropgesteld dat alles lukt uiteraard, want eigenlijk weet niemand wat er nog kan gebeuren. De menswording van John is op dit moment nog een groot mysterie.”
„Spannend,” zei Zaza. „Maar nu ben ik weg, want ik heb nog een verrassing voor je.”
„Wat dan?”
„Dat zul je wel zien.”

God hoorde Zaza van de trap lopen en na wat gescharrel beneden in de hal sloeg de voordeur dicht. Toen was hij alleen. Hij keek de blauw oplichtende zaal in en tikte iets in op de laptop. Toen ging hij zitten op een hoge kruk die naast de lange werktafel stond. Hij tastte in zijn overall en vond een pakje sigaretten. Hij stak er één aan en trok de rook diep in zijn longen. Met gekruiste armen keek hij naar de zwarte doos die rond zijn schepping stond. Even flitste de verrassing van Zaza door zijn hoofd. Zijn lippen krulden lichtjes op, hij mocht haar graag, misschien zou ze vanavond ook iets in die zin meedelen. Soms dacht God wel eens aan haar, wanneer hij s’ nachts alleen in zijn bed lag en een beeld wilde oproepen dat hem verwarmde. Dan stelde hij zich voor hoe ze bij hem in bed kroop en een been over het zijne liet glijden. En hoe hij zijn handen over haar buik zou laten gaan. Of niet… Tenslotte had ze hem alleen een paar grapjes toegeworpen, ze had nog geen enkele keer een teken gegeven. Waarom zou ze ook, ze had al iemand, en in haar ogen moest hij ongetwijfeld een slome oude vent zijn. Waarom zou ze in godsnaam iets voelen voor iemand die al zoveel tijd, relaties en kansen had verknoeid? Zo iemand is geen aanwinst voor een vrouw, ze zou binnen de kortste keren diep teleurgesteld zijn. Toch voelde God zich gelukkig. Alleen in zijn grote, blauw oplichtende atelier zwol zijn hart van vreugde. Hij was intens blij omdat John prachtig was, omdat de lampen werkten en omdat zijn idee, de vrucht van zijn ziel, al grotendeels realiteit was geworden. Hij tipte de as van zijn sigaret op de vloer. Er viel een grijs, verkoold staafje naar beneden dat hij plat duwde met de rubberen zool van zijn schoen.
Op de laptop ging hij de lichtsterkte en de warmte van de lampen in de cabine na. Alles leek in orde. Toen trok hij zijn overall uit en liep naar de badkamer voor een lange, hete douche.

9. Chez Guillaume

Een uur later zaten Zaza en God bij Chez Guillaume. Door het halfduister van het restaurant golfde het geroezemoes van een hele hoop volk. Aan de muur hingen spiegels waarin met zwart beklede schemerlampen reflecteerden, en in de doorgang naar de tweede ruimte hing een zwaar, fluwelen gordijn dat samengehouden werd met een zijden lint. De banken waren met koperkleurig damast bekleed en op de tafeltjes lagen zwarte tafelnappen. Uit de luidsprekers klonk een Franstalige adaptatie van Cry me a river. “Adieu gueule d’amour,” zong een vrouwenstem alsof het een liefdesverklaring was. Zacht als een veertje deed ze verslag van het einde van een verhouding.
“Pleurer des rivières, à quoi ça sert?”.
God huiverde toen hij het mooie nummer hoorde. De laatste keer dat hij het lied had gehoord was hij nog maar een jongen die droomde van een spannende toekomst. Hij wist toen nog niet wat een gueule d’amour was, maar nu was hij zoals zovelen in dit rokerige hol doortrokken van het inzicht.
De obers droegen witte hemden en zwarte broeken en hielden hun dienbladen op hun hand zoals de garçons in de Parijse bistro’s. Chez Guilllaume was gespecialiseerd in kreeft, maar je kon er ook gewoon friet of een glas wijn bestellen. Omdat het restaurant in de rosse buurt lag was het klantenbestand een beetje onalledaags. Door de late openingstijden kwam iedereen er wel eens, maar toch was het vooral een plaats voor nachtraven en rare vogels.
Zaza zag er tevreden uit. Ze deed haar haar achter haar oren zodat een paar sierlijke gouden hangers zichtbaar werden, en ze legde haar blote armen op tafel. Bij Chez Guillaume werd de champagne in coupes geserveerd, en daar dronken ze elk een van.
„Op John,” zei Zaza. „En op Amanda,” zei God, „dat ze even mooi mag worden als haar model.”
Ze tikten zachtjes met hun glazen tegen elkaar en namen een slok.
„Mag ik nu weten welke verrassing je in petto hebt?” vroeg God.
„Maar natuurlijk, ik houd je niet langer in spanning.”
„Ik ben benieuwd,” zei God.
„Herinner je je ons gesprek van laatst nog, over relaties en over Stella?”
„Jazeker,” zei God. Hij vond het een positief begin.
„Wel, ik heb een verrassing die verband houdt met Stella. Ik heb je misschien een beetje misleid, dit is geen etentje voor ons tweeën. Vooruit dan maar, Stella komt ook.”
God was met stomheid geslagen. Hij keek strak en enigszins ontzet naar de glunderende Zaza.
„Dat meen je niet,” kreunde hij. „Je bedoelt dat ze hier straks ook binnen stapt?”
„Ja, over twintig minuutjes verschijnt ze op de afspraak. Ik heb mij laten vertellen dat jullie hier vroeger wel vaker kwamen. Het leek me fijn om deze plaats uit te kiezen voor een ontmoeting.”
„Maar ik heb al heel lang niet meer met Stella gepraat. Het zou wel eens een vreselijke moeizame conversatie kunnen worden. Misschien lukt zelfs dat niet eens.”
„Maak je geen zorgen. Ik blijf bij je, ik zal een goede gastvrouw proberen te zijn. Als ik zie dat jullie op dreef zijn pak ik mijn jas en ga ervandoor.”
God keek teleurgesteld. Dit was niet wat hij zich bij het afspraakje van vanavond had voorgesteld. Hij keek naar het begin van Zaza’s borsten in de uitsnijding van haar jurk en trok een spijtig gezicht.
„Ik had gehoopt op een gezellige avond met ons tweeën,” zei hij. „We hadden kunnen praten over John en over de nieuwe wereld die we samen zouden uitdenken. We hadden ons kunnen bedrinken en dingen doen die niet mochten. Het had leuk kunnen zijn.” Hij glimlachte treurig. „Eerlijk gezegd voel ik mij er een beetje ingeluisd. Ik was niet voorbereid op een ontmoeting met Stella. Ik weet eigenlijk niet of ik dat wel aankan. Ik vind het moeilijk. Ik weet niet wat ik tegen haar moet zeggen.”
„Ach jeetje,” reageerde Zaza geprikkeld, „ons bedrinken en ladderzat in de koffer duiken kunnen we later nog wel. Praat nu eerst met Stella.”
„Waarom doe je dit eigenlijk? Denk je dat ik niet verder kan zonder een vrouw? Dat ik mij niet meer was ‘s morgens, en dat ik niet alleen in een bed kan liggen?”
„Ik vond het zo droevig voor je dat jullie geen enkel contact meer hadden, dat is alles. Van een gesprek ga je toch niet dood?”
„Nee natuurlijk niet, maar gedane zaken nemen geen keer. Stella en ik, dat is een beladen geschiedenis, een verhaal dat gepaard ging met meer pijn dan vreugde. Dat ze naar hier moet komen, valt haar vast nog zwaarder dan mij. Straks halen we weer oude wonden open en eindigt jouw kleine plannetje in een drama.”
„Daar geloof ik niks van. Jullie kunnen toch gewoon met elkaar praten in een restaurant, zoals iedereen?”
„Dat weet ik zo net nog niet. We zijn opgehouden met praten toen bleek dat we het juist niét konden. Waarom begrijp je dat niet?”
„Maar er zijn al zoveel jaren overheen gegaan? Is het ergste leed intussen niet geleden?”
„Misschien,” zei God somber, „maar ik zou er niet op rekenen. Je weet wat Oscar Wilde zei over leed: dat het donker en bodemloos is, en dat er nooit een einde aan komt. Ik zie geen reden om daar anders over te denken.”
„Bekijk het eens van de goeie kant. Als deze ontmoeting wél meevalt kunnen jullie weer praten met elkaar. Dan hebben je een brug geslagen over een kloof die tot nog toe pijnlijk diep was. Jullie hoeven niet meteen een affaire te beginnen, een rustig gesprek is al een hele stap. Als dat lukt is er weer wat hartzeer de wereld uit.”
„Er bestaat misschien een kans, maar ik vind toch dat je me een streek levert. Doe je dat wel vaker?”
Zaza staarde met een diepe frons in haar voorhoofd naar het tafelblad. Haar jongemeisjesblos was als een schaduw uit haar gezicht weggegleden.
„Ik weet het niet, ik denk het niet. Vind je dat ik iets verkeerds heb gedaan?” Haar stem haperde. Ze had al een tijdje spijt van haar plan. Ze wist dat het een waardeloos idee was zodra ze Mefisto erover had gehoord. Maar het was nu te laat om terug te krabbelen. Ongetwijfeld had ze te impulsief gereageerd. In plaats van rustig na te denken had ze meteen gebeld naar die griezel van een Mefisto. En hij had zo hard moeten lachen dat ze er misselijk van werd. Het was een klunzig en vernederend plan, ze had er onmiddellijk moeten mee kappen.
„Wat je gedaan hebt was niet zo verstandig. Je neus in andermans pijnlijke scheidingen steken is meestal vragen om problemen. Denk je echt dat ik zelf geen gesprek met Stella had geregeld als ik dat had gewild?”
Zaza vouwde haar handen voor haar gezicht en keek God bezorgd aan.
„Word ik nu ontslagen?”
„Nee. Maar het zou goed zijn om dit soort dingen in de toekomst te vermijden.”
„Ik zal het nooit meer doen. Zal ik Stella bellen om te zeggen dat de afspraak niet kan doorgaan? Er is nog tijd. Ze komt pas over een kwartier.”
„Nee, laat het nu maar gebeuren. Zoals je zegt kan ik wel een conversatie aan met een vrouw in een restaurant.”
„Zal ik blijven?”
„Ik denk dat het beter is als je ons alleen laat. Je weet wat ze zeggen: Three’s a crowd.”

Zaza zag bleek. Ze had gehoopt dat God ondanks haar lamentabele plan inschikkelijker zou zijn. Maar dat was wellicht naïef van haar geweest. Ze begreep inmiddels heel goed dat ze speelde met gevoelens waar ze niets van af wist.
„Ik vind het moeilijk om nu weg te gaan,” zei ze stil. „Ik kan je zo toch niet achterlaten. Vind je het erg als ik nog eventjes blijf?”
„Dat moet je zelf weten,” zei God geïrriteerd, „maar als je het niet erg vindt wacht ik liever alleen.”
Zaza knikte. „Ik begrijp het.”
„Hoe ben je trouwens aan het telefoonnummer van Stella gekomen?”
„Dat had ik van Mefisto,” loog ze. Ze durfde niet vertellen dat ze Stella niet eens zelf gesproken had. Als ze nu zou bekennen dat ze de hele ontmoeting door Mefisto had laten regelen, zou haar kop zeker rollen. Ze realiseerde zich scherp in wat voor penibele situatie ze zichzelf had begeven.
„En hij heeft je haar nummer zomaar gegeven?”
`”Niet zomaar,” zei Zaza schor, „ik heb behoorlijk hard moeten aandringen.” Ze maakte aanstalten om weg te gaan. Toen ze rechtstond keek ze God ontdaan aan.
„Het is al goed. Trek het je niet aan, wie weet hebben Stella en ik toch nog een leuke avond. Niets zegt dat het per se rampzalig hoeft af te lopen, het kan ook wel goed gaan. Maar ik vind het voor iedereen gemakkelijker als ik alleen op haar wacht.”’
„Je weet zeker dat het lukt?”
„Dat weet ik zeker. Hop, ga nu maar.”
Terwijl hij Zaza zag weggaan nam God zijn mobiel. Hij had nog steeds hetzelfde nummer van vroeger en hij wilde nagaan of Stella soms een bericht had gestuurd. Dat deed ze indertijd ook, als ze op komst was of als ze wat later zou zijn. Maar niemand had iets achtergelaten. Wellicht zou ze gewoon komen binnenwaaien.
Al zit ik hier nu wel mooi te kakken, dacht God geprikkeld. Hij vond Zaza’s geregel buitengewoon afkeurenswaardig, maar omdat hij in een restaurant zat durfde hij niet kwaad te worden. Hij besloot haar maar niet de laan uit te sturen. Maar de gedachte kwam wel in hem op.

10. De charmes van een scheppend genie

Terwijl hij wachtte vroeg hij zich af hoe Stella er dezer dagen uit zou zien. Hij had al heel lang geen enkele glimp meer van haar opgevangen. Zou ze veranderd zijn? Zou ze nog steeds een golf van warmte door zijn borst laten rollen? Wellicht niet. Wat Zaza niet wist, was dat God zijn vrouw meer dan eens bedrogen had. Vijf jaar geleden had hij een waanzinnige piek in zijn carrière beleefd. Hij had een ambitieus project opgezet, met tentoonstellingen in verschillende musea, en er ging geen dag voorbij of mensen belden hem voor een interview of een reportage. Zijn toenmalige werk heette ‘Humanoids’ . Het bestond uit sculpturen en foto’s van mensen die gemuteerd waren of zogenaamd getransformeerd met behulp van plastische chirurgie. Eerst had God zichzelf omgebouwd met protheses en maskers. Hij had achtereenvolgens slagtanden, vleugels, hondenhaar en een vlezige staart aan zijn lichaam bevestigd. Daarvan werden foto’s gemaakt die levensgroot, schokkend naakt en volkomen onwerelds oogden. Het resultaat was ronduit verbluffend. Het gegons rond zijn persoon werd nog luider toen hij oogverblindende Humanoids had gedistilleerd uit de jongens van de nationale voetbalploeg, en erin was geslaagd ze met allerlei extensies te fotograferen.

Een gelijkaardig proces werd toegepast op meisjes. Ze kregen hoorns of extra benen en dat vonden ze stuk voor stuk geweldig. Vanzelfsprekend had hij met heel wat meisjes de lakens gedeeld tot Stella hem een keer betrapte. Bij die gelegenheid had hij lacherig en stoned beweerd dat er niks aan de hand was. Vrouwen konden nu eenmaal niet weerstaan aan de charmes van een scheppend genie en zo ging hij maar door. Blablabla. Pas achteraf begreep hij dat hij zich als een idioot had gedragen en dat zijn onvolwassen gedaas de druppel was die de emmer had doen overlopen. Maar het was te laat. Na de breuk met Stella liep het ook minder hard met zijn carrière. Hij voelde zich uitgeput en leeg en besloot de media en het commerciële kunstcircuit zoveel mogelijk te mijden. Stilaan vond hij dat het Humanoidsproject sereniteit en bescheidenheid miste en daarom had hij het afgerond. Hij had nood aan een rustiger periode waarin hij wilde lezen, nadenken en de aanzet wilde maken naar een werk dat meer diepgang had. Hoewel hij niet meer zo dikwijls in de kijker liep, hoorde hij nog steeds bij de top, maar hij was niet langer zo gebrand op aandacht. Om meisjes zat hij zelden verlegen, maar zonder Stella was er heel wat kleur uit zijn leven weggevloeid. Iemand als Zaza kon daar misschien aan verhelpen, maar zoals het er nu voorstond hoefde hij zich duidelijk geen illusies te maken. Of wel? Eigenlijk wist hij het niet. Wat vreten mensen niet uit op het bochtige pad van de liefde? Hij bestelde nog een glas en keek de zaal rond. Het was druk in het restaurant. Naast hem zat een jong stel rauwe tonijn te eten. Veel praten deden ze niet, en elkaar aankijken al evenmin. Ze deden God denken aan twee koeien in de wei die naast elkaar gras stonden te kauwen.
Wat stom, dacht hij, zo jong nog en ze hebben elkaar al niets meer te vertellen. Hij staarde het stelletje aan tot de jongeman met een boze blik terugkeek en God betrapt het hoofd afwendde. Aan de andere kant van zijn tafeltje zaten twee vrouwen druk tegen elkaar te praten. Hun stemmen klonken schril en nog voor God kon nagaan waarover ze het hadden besloot hij dat het gesprek hem geen zier kon schelen. Schuin tegenover God zat een bont en luidruchtig gezelschap aan een grote tafel. Acteurs, dacht hij, die zijn altijd leuk, en hij liet zijn ogen langs een man gaan die op een vrouw leek en die vriendelijk luisterde naar een rondborstige dame naast hem. Om de zoveel minuten barstten ze allemaal tegelijk in lachen uit. Hij keek op zijn horloge. Kwart voor negen. Over een kwartiertje zou Stella arriveren. Hij tikte nerveus met zijn vingers op het houten tafelblad.
Om kwart over negen was Stella er nog niet. God dacht eraan Zaza te bellen en het uur van de afspraak te controleren, maar bij nader inzien vertikte hij het. Hij bestelde nog een whisky zonder ijs, daar was hij wel aan toe. Stella kwam wel eens te laat, zoals iedereen. Hij kon wel even wachten.

Om kwart voor tien zat hij nog steeds aan zijn tafeltje met een glas voor zich. Zijn vierde whisky was naar zijn hoofd gestegen en hij voelde zich langzaam doodmoe worden. De zwijgzame eters naast hem waren inmiddels vertrokken en het bonte gezelschap aan de overkant kreeg er steeds meer plezier in. Terwijl hun gelach door de zaal rolde, krabbelde God geraamtes op zijn servet. Eentje zat op een stoel, een ander geraamte speelde voetbal en een derde leek op Stella. Hij zou nog een kwartier blijven, dan hield hij het voor bekeken.

Om vijf voor tien kwam een curator van een plaatselijk museum het restaurant binnen. God mocht de man niet zo, maar hij was vastbesloten daar niets van te laten merken. De curator kwam recht naar hem toe gelopen.
„God!” riep hij, „wat een toeval. Hoe gaat het met je?”
„Goed,” zei God, “en met jou? Alles goed?”
„Ja hoor, we vieren de vernissage van een nieuwe tentoonstelling. Toen begon de curator aan een langdradige uitleg waar God op reageerde met een geeuw zo diep dat zijn oren ervan kraakten. De curator zweeg.
„Ik ga maar eens bij mijn mensen zitten,” zei hij haastig. Tot kijk hoor.” En weg was hij.
God begreep dat Stella wellicht niet zou komen opdagen, maar hij wilde wachten tot tien uur en dat betekende dat hij nog een paar minuten moest blijven zitten. Hij voelde hoe het gezelschap van de museumdirecteur hem in de gaten hield en over hem praatte. Het stoorde hem niet werkelijk. Om de tijd te doden vulde hij zijn op servetten getekende reeks aan met een skelet dat zich ophing aan een tak van een boom, en nog een dat met een groot mes door zijn eigen kale ribben stak. Toen riep hij de ober, betaalde en ging weg. Hij voelde de blik van de curator in zijn rug branden.

Buiten regende het nog steeds. Het was flink koud geworden en er stond een ijzige wind. God trok zijn kraag recht en stak zijn handen diep in zijn zakken. Hij was dronken en loom van het wachten en van de drank. Waarom Stella niet was komen opdagen wist hij niet. Misschien had ze de moed niet gevonden of was ze nog steeds kwaad en gekwetst. Wellicht leek het haar vreemd om uitgenodigd te worden door een andere vrouw, iemand die bovendien in een rechtstreeks verband stond met God en van wie ze de bedoelingen niet kende. Ik zou ook niet komen opdagen, dacht God terwijl hij de regen in zijn gezicht voelde striemen. Wie zou er tenslotte in dit weer naar buiten komen om een sukkel zoals ik gezelschap te houden?
Samen met het alcoholpercentage in zijn bloed waren ook de woede en de eenzaamheid in zijn hart toegenomen. In een straat waar niemand te zien was schopte hij hard tegen een lege vuilnisbak. Een oudere man die op hem toeliep om een vuurtje te vragen kreeg geen gehoor. „Laat me met rust, schooier,” snauwde God en met verbeten passen beende hij verder. Eindelijk kwam hij aan bij zijn atelier. Hij had meer dan een uur door de bijtend koude nacht gestapt maar afgekoeld was hij allerminst. Hij rende de trap op, recht naar John die in zijn blauw oplichtende cel op het mensdom stond te wachten. Of het mensdom op hem.
‚Jij bent veel te goed voor deze wereld’, dacht God zo stellig dat hij zijn woorden door het huis hoorde galmen.
‚Dat is een vergissing. Je bent te kwetsbaar, op die manier houd je het geen twee maanden vol.’ God sprak tegen de zwarte vijfhoek die aan de bovenkant licht bleef braken. Hij tikte een code in op zijn laptop en zette vervolgens de procedure stil. Het licht van de lampen werd langzaam zwakker. Na ongeveer een minuut was het aardedonker in het grote atelier. De zwarte vleermuis die al de hele avond roerloos tegen het plafond had gehangen spreidde zijn vleugels. In het donker was hij volkomen onzichtbaar, maar vanuit zijn hoek leek niets hem te ontgaan. Het beest zag God van de laptop naar de doos lopen en de dekplaten een voor een wegnemen. God zette de ontmantelde cabine tegen de muur en stak een halogeenlamp aan. Aan John was nog niets veranderd. Nog steeds stond hij als een ongewoon realistisch beeld op zijn plaats, zijn ene been recht, zijn andere lichtjes gebogen, zijn armen losjes naast zijn romp. Op zijn kale kop na leek hij sprekend op de man die hem geschapen had. God keek hem aan. Zijn ogen stonden strak en in het heldere licht van de halogeenlamp leek alle kleur uit zijn gezicht verdwenen. Hij zette zijn vingers tegen de mondhoeken van het kleibeeld en trok ze lichtjes naar beneden. In plaats van een milde had John nu een grimmige expressie om zijn mond. Zijn zachte lippen waren veranderd in strakke elastieken die in zijn gezicht kerfden als een snee. De linker mondhoek trok God nog een klein stukje verder naar beneden, waardoor John een asymmetrische mond kreeg die lusteloosheid en hooghartigheid uitdrukte. Daarna duwde God de ogen dieper naar binnen. John keek nu de wereld in met de argwanende blik van een dief. Hij zette zijn duimen tegen de kneedbare, ronde wenkbrauwen en haalde ze een klein stukje naar beneden. Doordat de wenkbrauwen bijna op de ogen waren gezakt werd het uiterlijk van John nu somber en onverzettelijk. Het open karakter van daarnet werd gesloten en stug. Toen deed God iets onvergeeflijks. Hij boog het hoofd van John naar voren zodat het kleibeeld niet langer dapper rechtop stond maar angstig leek te wankelen. Met zijn hoofd naar beneden was John net een jongen die een pak slaag had gekregen en nu wegglipte naar een donkere schuilplaats. Van zijn fiere houding was niets meer over. Maar de lampen die het materiaal sterker en flexibeler hadden moeten maken mochten niet voortijdig worden uitgeschakeld. Omdat de klei niet voldoende kleefkracht had, boog het hoofd van John vanzelf verder door. Het zakte in een onnatuurlijke hoek naar voren tot de kin de borst raakte en het hoofd losscheurde. Tergend langzaam rekte de klei uit in Johns nek. De scheur werd groter, werd een gapend gat en brak toen af als vochtig brooddeeg. Het hoofd van John rolde naar beneden en viel met een bons op de grond. Daar bleef het liggen met een wrede mond en een boze blik op God gericht.

Terwijl God als versteend naar het onthoofde lichaam staarde kwamen ook de armen los. Ze gleden over de zijkant van de romp naar beneden als smeltend ijs. Nog steeds hadden ze hun perfect menselijke, gespierde vorm, maar de kracht waarmee ze aan de romp gehecht bleven was verdwenen. Toen God zich neerzette aan de voeten van het beeld begaven ook de benen het. Ze zakten in elkaar als puddingen en in de puinhoop van armen, benen en klei bleef enkel nog een gerimpelde romp staan. God zat op zijn knieën naar zijn vernielde schepping te kijken. Hij nam het hoofd van John op zijn schoot en streelde de wangen en het voorhoofd alsof ze van een mens waren. Zijn gezicht had een asgrauwe kleur. Hij had het gevoel dat zijn hart met geweld uit zijn borst werd gerukt. Zijn ademhaling werd zwaarder en zijn hele lichaam deed pijn. Nadat hij het kleihoofd zoveel had gestreeld dat er haast niets meer van overbleef nam hij ook een arm. Die hield hij vast terwijl hij een stekende pijn in zijn rug probeerde te verdragen, maar hij kneep zo hard dat de arm in het midden werd geplet en afbrak.
Ik heb een hartaanval, dacht God pathetisch. Ik ga dood. Ik ga samen met mijn schepping dood. Hij voelde een pijn als een dolk in zijn maag en gaf over bovenop de brokstukken van de nieuwe mens. Toen viel hij met zijn gezicht in het naar alcohol stinkende braaksel.

Toen Zaza hem niet zoveel later vond sloeg de geur van alcohol en maagzuur haar hard in het gezicht. Ze was naar huis gegaan maar had er een tijdlang in het donker zitten tobben. Na een uur was ze teruggekeerd naar Chez Guillaume, waar ze had vernomen dat Stella niet was komen opdagen. Toen was ze met haar autootje langs het atelier gereden en had ze gezien dat het blauwe licht uit de vijfhoek uitgeschakeld was. Dat vond ze verdacht, dus had ze haar autootje geparkeerd en was ze naar binnen gelopen. Met alle kracht die ze in zich had trok ze God aan zijn jas uit de kots op de vloer. Hij reutelde onsamenhangende woorden en vroeg haar om te mogen sterven. Maar Zaza hield niet zo van pathetiek. Ze haalde een emmer en een washandje en begon de viezigheid uit Gods gezicht te wrijven. Met haar mooie jurk nog aan moest ze moeite doen om zelf niet te kokhalzen. Ze hield zich sterk, spoelde het braaksel van haar washandje af in de emmer en vloekte zo luid dat haar stem door het hele huis weerklonk.
„Godverdomme!”

Copyright Els Fiers 2016

Sail Away Song

When the storm clouds are riding through a winter sky
Sail away – sail away
When the love-light is fading in your sweetheart’s eye
Sail away – sail away
When you feel your song is orchestrated wrong
Why should you prolong
You stay?
When the wind and the weather blow your dreams sky high
Sail away – sail away – sail away!

Noel Coward, Ace of Clubs