Danse Macabre

0x550-4.jpg

 

Danse macabre, door Els Fiers

Constantin B. bevond zich op het dak van een hoog herenhuis in een middelgrote stad. Het was na middernacht, de maan scheen en op het verre geronk van auto’s na was het stil in de straat. Constantin B. stond onzichtbaar in de schaduw van een oude, door de maan verlichte schoorsteen. De pannen onder zijn voeten waren glad maar hij had wel erger meegemaakt, en als hij wilde kon hij zich licht maken als een veer. Hij keek neer op een donkere huizenrij in een straat met kale bomen. Auto’s stonden dicht tegen elkaar geparkeerd en in een stalling grepen fietsen als een kluwen in elkaar. Achter de gevels leek iedereen te slapen, behalve op de tweede verdieping van een groot huis, daar brandde nog licht. Constantin B. hoefde zich niet erg in te spannen om te weten wat er gaande was: met zijn buitengewone blik kon hij alles haarscherp zien. Achter het venster liep een jonge vrouw heen en weer met een mes in de hand. Dat vond Constantin B. interessant, dus bleef hij roerloos toekijken. De vrouw in het raam droeg een t-shirt met een diepe halsuitsnijding en een strakke jeans. Ze was slank, had halflang blond haar en een ovalen gezicht met hoge jukbeenderen. Ze droeg geen beha en ook geen schoenen. Een halve minuut geleden was ze nog vreselijk aan het huilen geweest, waardoor haar ogen rood en gezwollen waren en haar mascara uitgelopen was tot aan haar kin. Samen met haar tranen had ze grote snottebellen uit haar gezicht gewreven met talloze papieren zakdoekjes die nu op een hoopje op tafel lagen. Constantin B. had altijd medelijden met huilende vrouwen. Kwade en schreeuwende vrouwen vond hij maar niks, maar wie kon huilen met overtuigingskracht, gevoel en veel snot deed zijn dode hart zwellen. Hij mocht dan wel een vampier zijn, kil was hij in ieder geval niet. Ook met deze ongelukkige voelde hij mee. Hij wist dat haar verdriet echt was en haar wanhoop reëel. Wat is de liefde toch een bloedbad, dacht hij somber. Onverstoorbaar bleef hij kijken omdat hij wilde weten wat de vrouw zou doen. Met het keukenmes in de hand liep ze naar een doos die op de tafel stond. Zenuwachtig sneed ze de tape open die ze een paar uur daarvoor in dikke repen had aangebracht. Ze trok de doos open, legde het mes neer en stapte met de doos in haar armen naar het raam. Constantin B. zag hoe de vrouw het venster opendeed en de inhoud naar buiten kieperde. Hemden, t-shirts, ondergoed en een paar lange broeken vielen vanuit de tweede verdieping op het voetpad en op straat. Het waren mannenkleren, zag hij vanop zijn maanbeschenen dak. Morgen zou de eigenaar zijn spullen uit de goot mogen rapen. Constantin B. had het heel lang geleden ook eens meegemaakt. Hij wist dat vrouwen die dingen buiten gooiden zich machteloos voelden. Ze waren kwaad maar het spel was nog niet uitgespeeld: de man – wie hij ook was – had nog een kans. Even dacht hij terug aan een vrouw die zijn beste pak ooit ook uit een venster had gesmeten. Een heerlijke, pijnlijke seconde lang zag hij haar gezicht voor zich. Haar zwarte haar viel los langs haar gezicht tot over zijn arm in de palm van zijn hand. Maar de geschiedenis was zo oud dat Constantin B. twijfelde of ze wel echt was. Misschien was het een verhaal dat hij tijdens zijn oneindig lange leven aan een oude geliefde had gekoppeld. Hij rilde toen de vrouw er nog iets achteraan gooide dat brak zodra het op de grond viel. Het was een oud scheerapparaat. Ze keek even of alles wel degelijk op straat lag en sloot toen het venster. Vervolgens begon ze opnieuw te huilen, met schokkende schouders en een gebogen hoofd. Constantin B. zag hoe ze met de achterkant van haar hand tranen uit haar gezicht wiste. Er stond een fijne glimlach op zijn bloedeloze lippen. Deze mooie jonge vrouw zou uitstekend gezelschap zijn vannacht. Hij had beet, dat wist hij vrijwel zeker. Nog een tijdlang bleef hij doodstil op het dak zitten. Toen was hij plots verdwenen, geruisloos en snel, zoals een windvlaag.

Nadat ze het venster in de keuken had gesloten wou Tia naar de zitkamer, maar plots voelde ze een aanwezigheid. Door haar tranen zag ze het silhouet van een man in het donker op de overloop. Een ijskoude zucht streek langs haar gezicht. Ze zag duidelijk twee benen en een paar zwarte schoenen, de rest van de man bleef verscholen in het donker. Verlamd van schrik bleef ze staan. Ze probeerde een geluid te maken maar er kwam niets uit haar keel. Tot haar ontzetting kon ze zich ook niet bewegen, het leek wel alsof alle spieren en pezen in haar lichaam uitgerekte elastieken waren. Haar hoofd spatte bijna uiteen van angst. Haar keel leek door een onzichtbare hand dichtgeknepen en haar benen wogen als lood. Nog even en ze zou morsdood neervallen.
“Je hoeft niet bang te zijn,” zei Constantin B. vanuit de duisternis.
“Ik weet dat het wat griezelig oogt maar ik wil je geen kwaad doen. Kijk maar, ik blijf hier gewoon staan.” Hij zette een stap in het licht. “Ik ben hier om je te troosten.”
Tia hoorde zichzelf hijgen. Toen ontsnapte er iets uit haar mond. ‘Iiiiiiiiiiiii,’ piepte ze. Doodsbang greep ze naar een schaaltje op het kastje in de gang en smeet het naar het hoofd van de man. Het spatte uiteen op de muur. Toen stoof ze weg naar de keuken. Tot haar schrik stond de inbreker er al, in een flits, zonder dat hij haar onderweg had ingehaald. Hij rees op tegen het fornuis als een grote zwarte duivel uit het diepste van de nacht. Tia grabbelde naar een mes dat nog op het aanrecht lag maar Constantin B. hief zijn hand en maakte een beweging zodat het mes uit haar handen gezogen werd. Met een droge tik viel het op de grond. Vanuit haar ooghoeken zag ze haar mobiel, maar de vampier zag hetzelfde. Met zijn vingers vormde hij een vijf en op slag hield hij het zwarte toestelletje triomfantelijk tussen duim en wijsvinger. Hij schudde het mobieltje heen en weer en lachte allerverleidelijks naar de panische vrouw.
“Nee hoor,” zei hij onverstoorbaar, “op dit uur telefoneren is zo onbeleefd. Ik zou het maar laten als ik jou was.”
“Geef terug,” kreunde Tia, die het mobieltje naar de hand van de inbreker had zien gaan zoals een naald naar een magneet.
“Nee,” zei de man in het zwart.
“Alsjeblieft,” smeekte Tia.
“Lieve schat,” zei Constantin B. een beetje lijzig, “Kunnen we niet ophouden met dit jachtige gedoe? Ik word er zo moe van en het is nergens voor nodig. Waarom ga je niet zitten? Rust even uit, ik blijf gezellig bij je.”
Tia hield op met naar wapens te speuren en steunde met haar ene hand op het tafelblad. Met haar andere hand wreef ze over haar voorhoofd. Ze voelde zich vreemd slaperig en zwak. Toen nam ze een stoel en zette zich neer.
“Gezien de omstandigheden ben ik min of meer verplicht om ‘s nachts bij mensen binnen te vallen,” legde B. uit. “Ik bedoel er niks mee, het is gewoon een ander soort sociaal gedrag. Ik blijf nooit lang, ik steel niet en ik maak niemand tegen zijn of haar zin ongelukkig. Dat is het nu net: ik kan oplossingen brengen voor wie eenzaam of verdrietig is.”

Tia keek hem aan zonder een woord te zeggen. Hij droeg een net pak van moderne snit en hij had inktzwart haar dat iets te lang was om onberispelijk te ogen. Onder zijn kostuum had hij een smetteloos wit hemd aangetrokken en om zijn kraag zat een brede, diepblauwe zijden das die met zorg geknoopt was. Aan zijn pink zag Tia een gouden ring. Zijn gezicht stond hard en ongenadig maar hij glimlachte naar haar alsof ze straks heerlijk zou smaken. Ze wist dat ze zich niet kon verzetten: haar tegenstander was te sterk. Maar ze was niet van plan zich zomaar te laten vermoorden. Dus vermande ze zich als een turnster die weer op de balk klimt na een val. Misschien kon ze een gesprek aanknopen en vond ze intussen een oplossing. Ze had de grootste moeite om helder te denken maar dat haar een zware nacht te wachten stond, begreep ze wel.
“Oké dan,” zuchtte ze. “Wat kan het mij ook schelen. Ik kon toch net zo goed dood zijn.”
“Oei, wat somber,” reageerde Constantin B. “Is hier sprake van liefdesverdriet?”
Tia haalde diep adem. Ze probeerde het bonzen van haar hart en het trillen van haar handen te negeren.
“Dus jij komt hier zomaar binnenvallen, midden in de nacht, om me uit te horen over mijn verdriet? Doe je dat wel meer?” Haar stem klonk bepaald niet vast, maar de boosheid was echt.
“Beste juffrouw,” sprak de vampier die wist dat hij de situatie meester was, “ik doe dit al heel, heel erg lang. Inderdaad niet tot het spontane genoegen van de mensen bij wie ik zo brutaal binnen kom waaien, maar toch valt het soms mee. Toegegeven, ik zaai altijd paniek en door de ongewone introductie lijkt het allemaal veel erger dan het is. Maar je zult zien dat de angst weg ebt. Straks leren we elkaar beter kennen en zal je zelfs blij zijn met mijn bezoek.”
“Dat kan ik mij niet voorstellen,” zei Tia die zich uit alle macht kranig probeerde te houden.
“Ik kom en ik ga zoals de nacht,” zei hij plechtig. “Daar valt helemaal niks aan te veranderen. Je kan het onaangenaam vinden of niet, maar ik ben er nu en dat moet je accepteren. Eens je dat hebt gedaan, zul je zien dat mijn bezoek in je voordeel kan uitvallen.”
“Dat lijkt mij zeer onwaarschijnlijk,” antwoordde Tia “Volgens mij is vermoord worden, of eerst bestolen en verkracht worden zelden voordelig voor iemand.”
“Allemensen, een verkrachting, wat een smakeloze gedachte,” reageerde B. “Ik ben geen misdadiger hoor, integendeel. Ik ben iemand van het goeie kamp. Wie met mij omgaat wordt er meestal beter van.”
“Is dat zo? En hoe dan wel?”
“Je moet begrijpen dat je iets beters kan worden dan je nu bent. Je kunt een ander doel vinden, maar dan moet je wel boven jezelf uitstijgen. Het doet geen pijn, dat zul je wel zien.”
“Ik snap het niet,” zei Tia mat. “Waarom moet ik boven mezelf uitstijgen?”
De vampier zuchtte en legde zijn witte, benige handen op de rugleuning van de stoel tegenover haar.
“Omdat je dan niet langer ongelukkig zal zijn.” En hij vervolgde. “Kijk, ik ben altijd alleen, ik heb het bijna altijd koud en ik mis het licht van de zon. Nu en dan stel ik vast dat anderen ook eenzaam zijn, en dat wil ik al eens een goeie daad stellen Kunnen we geen glas drinken en iets betekenen voor elkaar?”
“Nee. Je bent knettergek,” antwoordde Tia.
Constantin B. voelde zich beledigd maar hij bleef onbeweeglijk staan met een mond als een meetlat en fonkelende zwarte ogen.
“Dan niet” zei hij afgemeten, en hij maakte aanstalten om terug naar het gangetje te wandelen.
Verbaasd keek Tia hem na. Ze kon niet geloven dat hij ineens vertrok, alleen maar omdat hij zich beledigd voelde. Tegelijk vroeg ze zich af of het waar was dat hij haar af zou kunnen helpen van haar verdriet. Eigenlijk wilde ze hem wel geloven, maar ze vertrouwde de zaak niet. Ze twijfelde. Terwijl hij verdween in het zwart van de gang naar de voordeur besefte Tia dat ze hem wel knap vond met zijn zwarte haar en zijn loodrechte neusbeen. Hij zag er weliswaar moe, eenzaam en sinister uit, maar hij had iets dat haar intrigeerde.
“Hallo?” riep ze naar het deurgat. Ze hoorde een kuchje en zag vervolgens het messcherpe profiel van haar belager uit de schaduw komen.
“Wacht even,” zei ze haastig. “Misschien kunnen we toch praten. Maar je moet me begrijpen: het is heel vreesaanjagend wanneer er plots een man in je huis staat, midden in de nacht.”
“Dat begrijp ik heel goed,” zei Constantin B. met iets van mededogen in zijn stem. “Maar soms is datgene wat je angst aanjaagt net wat je nodig hebt. Angst en verlangen liggen soms dicht bij elkaar.”
“Dat weet ik niet,” zei Tia, “maar misschien heb je wel gelijk. Ik ben een beetje uit mijn doen vanavond. Ik heb een rotdag achter de rug, mijn hoofd doet zeer en ik loop erbij als een zombie. Het is al laat en ik vind maar geen rust. En net wanneer ik mij helemaal alleen voel en erg overstuur kom jij hier binnenvallen.” Ze begon weer te huilen. Constantin B. zei niets. Hij keek naar de punten van zijn schoenen en telde tot tien, daarna haalde hij een schone zakdoek uit de zak van zijn broek gaf hem aan Tia. Beverig wiste ze haar tranen en depte ze haar neus. Constantin B. keek van onder zijn smalle maar pikzwarte wenkbrauwen op haar neer. Zijn ogen glinsterden als edelstenen en om zijn lippen speelde een sluwe lach.
“Je bent bang,” zei hij toen zacht, “maar in het leven heb je soms niet te kiezen. Soms is het niet zoals je had gewild en moet je er toch het beste van maken. Zou het helpen als ik je iets over mezelf vertelde?”
“Ja, graag,” zei Tia. Voorzichtig snoot ze haar neus.

 

005-antoine-etex-theredlist.jpg

 

“Mijn naam is Constantin Brancusi, om u te dienen mevrouw. Ik kom uit Roemenië maar ik woonde heel lang in Parijs. Ik beleefde er mijn hoogdagen als kunstenaar maar die tijd is intussen lang vervlogen. Tegenwoordig woon ik nergens meer, ik verplaats mij als een nomade en ik leg mij te rusten waar ik maar wil. Ik ben honderdvierendertig jaar oud maar voor iemand van mijn slag is dat ongeveer van middelbare leeftijd.”
Tia keek hem aan met een blik vol ongeloof. “Honderdvierendertig?” Ze dacht dat hij zich vergist had of dat ze hem niet goed haar verstaan.
“Honderdvierendertig, inderdaad,” herhaalde hij. Tia was met stomheid geslagen. Hij zag er inderdaad niet zo fris meer uit.
“Ik ben geboren als zoon van arme boeren in een achterlijk dorp in Roemenië,” vervolgde hij. Op mijn twaalfde liep ik thuis weg om te ontsnappen aan de ruwe zeden en de tirannie van mijn vader. Ik leefde als vagebond en schooier en kwam af en toe aan de kost als tonnenmakersknecht. Gelukkig had ik een beetje talent: ik leerde hout bewerken en beeldhouwen en ik vertrok naar Parijs, dat in mijn jonge jaren het centrum van de kunst was. Ik werd assistent van een beroemde kunstenaar, misschien heb je ooit van hem gehoord: hij heette Auguste Rodin, maar dat bleef ik niet lang want in de schaduw van die man kon niets of niemand groeien. Na jaren van hard werken werd ik zelf ook beroemd en iedereen wilde mijn werk zien. Ik was bevriend met Apollinaire, Modigliani en Marcel Duchamp en ik kende Picasso maar hem mocht ik niet zo, want hij stond altijd klaar om andermans vrouw in te pikken. Na mijn dood werd ik begraven op het kerkhof van Montparnasse. Maar wie zich de moeite zou getroosten zou zien dat mijn ouwe botten niet in de kist liggen. Hahahaaa,” lachte hij met een scherpe stem. “Want zoals je ziet ben ik niet écht dood. De laatste vijftig à zestig jaar leef ik vooral ‘s nachts, wanneer het stil is. Hoewel ik niet weet of je in dit geval wel het woord ‘leven’ mag gebruiken.”
“Tjonge, dat is indrukwekkend,” zei Tia een beetje verward. “Hoe kwam het dat je begraven werd maar niet echt dood was?” Ze vond dat zijn handen en zijn hals er erg perkamentachtig uitzagen, alsof hij geen honderd maar duizend jaar oud was. Zijn gezicht daarentegen zag er niet onnatuurlijk uit. Misschien leek hij vijftig, hoogstens zestig. Ze liet haar blik langs zijn magere lichaam en zijn lange armen glijden en stelde vast dat wat ze zag niet menselijk oogde. Instinctief begreep ze dat hij dodelijk gevaarlijk was, maar ze voelde zich beneveld en daarom was ze niet bang.
“Lang voor mijn overlijden was ik lid geworden van een geheim genootschap. We waren maar met een paar mannen, slechts zes, meer was niet toegestaan. We kwamen samen in een geheime crypte onder de Sacré Coeur en werden daar ingewijd in de mysteriën van leven en dood. Door bepaalde rituelen, die al van bij de Egyptenaren bestaan, kan men de dood afwenden en veranderen in een eeuwig leven. Wanneer je tijd gekomen is, word je begraven maar drie nachten later komen de andere leden van het genootschap je bevrijden uit je kist. Vanaf dan ben je gedoemd om in het duister te leven. Onzichtbaar maar niet dood: het is een keuze die ik gemaakt heb toen ik een jaar of vijftig was.”
“En die je nu niet meer zou maken?” vroeg Tia belangstellend.
“O jawel, al heb ik de consequenties van het alleen zijn toen wel onderschat.”
Tia wist niet of ze hem moest geloven. “En de anderen van het genootschap dan? Waar zijn die?”
“Overal, nergens, dat interesseert me niet. Wie kiest voor een leven na de dood kiest voor absolute eenzaamheid. Gezelschap is uitgesloten.”
“Waarom?”
“Omdat gezelschap en vriendschap kunnen leiden tot liefde. En liefde hoort bij het leven. Wij hebben de regels van de dood aanvaardt en daarin kan geen liefde bestaan. Stel dat ik verliefd werd en het idee kreeg om me te gaan voortplanten? Dat zou heel eng zijn, denk ik je niet?”
“Waarschijnlijk wel, maar dat is zo een bizarre gedachte dat ik geen idee heb wat ervan te denken.” Tia voelde zich in haar stoel gedrukt. Ze had de indruk dat ze niet langer in haar keuken zat maar ergens anders, ergens waar niemand haar ooit nog kon vinden.

“Maar als gezelschap verboden is, waarom ben je dan hier?”
“Tja dat is een zwakte van me. Soms mis ik andere mensen. Dan kijk ik wel eens bij hen binnen en dat heb ik – ik moet het bekennen – vanavond ook bij jou gedaan. Ik zag je huilen en ik vond dat ik iets voor je moest doen.”
“Meen je dat echt?”
“Uiteraard. Ik zeg nooit iets dat ik niet meen.”
“Ik vind het moeilijk,” zei Tia plots. “Vier jaar geleden ben ik in deze stad komen wonen nadat ik was weggegaan bij een man. Ik dacht dat ik hier een nieuwe weg kon vinden en dat mijn leven hier minder zwaar zou zijn. Maar het lijkt wel alsof ik het ongeluk niet kan ontlopen. Nu kom jij hier met je vreemde verhaal en ziet het er nog beroerder voor me uit dan een paar uur geleden. Daarnet dacht ik dat ik de bodem van de put geraakt had, maar kennelijk kon ik nog dieper. En waarom? Wat heb ik verkeerd gedaan? Een vampier, dat moest er nog bijkomen.” Ze slaakte een diepe zucht en keek hem aan.
“Ik geef toe dat het geen alledaagse gebeurtenis is,” zei Constantin B. terwijl hij zijn lange armen vouwde en naar de pas geknipte nagels van zijn linkerhand keek.
“Ben je trouwens wel echt een vampier?”
Hij lachte vriendelijk en liet zo een stukje van zijn abnormaal grote hoektanden zien.
“Ach zo. En je wil me wellicht ook bijten?” vroeg Tia koelbloedig. “Is dat jouw manier om met het verdriet van vrouwen om te gaan?”
“Ik bijt niet tenzij je dat goed vindt,” zei Constantin droog.
“Maar als ik gebeten ben, ga ik dood?”
“Ja. Je hart begeeft het, de celgroei stopt, je houdt op met ademen. Technisch gesproken zal je gestorven zijn, maar je bewustzijn, je geest en je verstand blijven intact. Je lichaam zal als een soort fotokopie blijven functioneren. Je zal niet ouder worden en je zal ook nooit meer ziek worden. De man van wie je de kleren zonet op straat hebt gegooid zal morgen jouw dode lichaam vinden. Het zal hier in de keuken liggen, na wat lijkt op een nachtelijke roofoverval. Hij zal zich vreselijk schuldig voelen. En jij zal alles gadeslaan, onzichtbaar, van achter het raam.”
“Word ik een schim?”
“Mja, zo zou je het kunnen stellen.”
“Word ik ook een vampier?”
“Nee, dat is alleen voor ingewijden.”
Tia blies nogmaals. Ze strekte haar hand uit naar een pakje sigaretten op tafel en nam er een. Ze bood de vampier ook een aan maar hij weigerde beleefd. “Mijn longen,” zei hij ernstig. Hij kuchte eens. En nog eens. Tia stak haar sigaret aan. Ze gooide haar hoofd in haar nek, blies een wolk rook uit en wachtte. Constantin B. geeuwde zodat Tia twee vlijmscherpe hoektanden nog beter kon zien. Het leken wel dolken.
“Is het ook mogelijk dat je niet bijt?” vroeg Tia.
“Jazeker,” zei Constantin C, “ik kan ook gewoon weggaan. Maar ik denk niet dat je mij straks nog zult laten vertrekken.”
“Waarom denk je dat?” De vampier glimlachte naar haar en hield haar blik vast zoals een wolf een konijnenjong. Tia voelde het bloed naar haar wangen stijgen. Brancusi zag dat zijn benevelende charmes vrucht afwierpen. “Mooi zo,” zei hij, “laten we iets drinken. Laten we praten over liefde en verdriet.”
Tia stond op en nam twee grote glazen die ze met een onzekere hand op tafel zette. Ze vond een bestofte fles rode wijn onder in de kast en ontkurkte ze. Constantin B. goot de wijn in de glazen. Hij bleef haar strak aankijken terwijl ze dronk.
“Vertel eens over hem,” zei Constantin toen. “Heeft hij je bedrogen of is hij gewoon een sufferd?” Tia glimlachte en keek naar het raam, alsof ze daar het antwoord zocht. Ze zei niets.
“Wat doet hij voor werk?”
“Hij is fotograaf.”
“Heeft hij succes?”
“Ja maar hij heeft nog meer ego. Hij gelooft vast dat de nulmeridiaan tussen zijn billen loopt.”
“Ach zo. En wat doe jij?”
“Ik ben model.”
“Waw. Fijn om te doen?”
“Nogal, het verdient niet slecht maar je maakt er weinig vrienden.”
“Anorexia?”
“Waarom vraag je dat?”
“Je bent nogal dun. Ik ben bang dat ik straks recht op het bot bijt.”
Plots had ze geen zin meer om over haar vriendje te praten. Ze besefte dat ze niet meer wist wat ze wel en niet wilde, en dat dit een gevaarlijke situatie was.
“Hij was er nooit, ik kon hem zelden bereiken. Ik heb geen idee wat hij bij me zocht. Hij had wellicht andere vrouwen, misschien wel drie of vier. Ik bleef maar wachten maar nu ben ik het zat.” Ze nam een slok.

Constantin B. vond dat ze zich niet zo snel gewonnen gaf. Hij zou haar uiteindelijk wel krijgen, daar twijfelde hij niet aan, maar toch probeerde ze een zekere afstand te bewaren. Ondanks zijn bezwerende krachten hield ze zichzelf in de hand en dat kon hij wel waarderen.
“Waarom gooide je zijn kleren uit het raam?” vroeg hij.
“Heb je dat gezien?” vroeg zij.
“Jazeker. De hele stapel ligt op straat. Iedereen kan het zien.”
“Ach,” zuchtte ze, “we kregen ruzie aan de telefoon. Ik zei dat ik hem ontoegankelijk en hard vond maar hij had geen zin in een discussie. Het is al maanden zo, het botert gewoon niet. Op een keer moet je beseffen dat het niet werkt, niet meer, niet minder. Ik had wellicht niet alles naar buiten moeten kieperen. Maar het resultaat zal toch hetzelfde zijn: het is afgelopen met ons.”
“Was hij behalve een idioot een opwindende vent?” vroeg de vampier met een vlakke stem.
“Je bedoelt in bed?”
“Hm,” Brancusi plooide zijn papieren lippen in een vileine glimlach, “wie plezierig is in bed is dat ernaast doorgaans ook, vind je niet schat?”
“Dat zou wel eens kunnen,” antwoordde Tia.
“Al neukend zegt de boer de waarheid, denk ik soms bij mezelf. En? Deed hij het goed, jouw egoman?”
“Hij was bedreven maar nogal kil. Volstaat dat of wil je nog meer details horen?”
“Het volstaat.”
“Maar hij is al de elfde met wie het spaak loopt. Ik heb geen kinderen, geen rust en geen dieper contact met iemand anders. Elf relaties die niet werken, dat vreet aan een mens.”
“Ach, soms heeft iemand gewoon wat geluk nodig. Dat heb je kennelijk nog niet gehad. Maar je hoeft niet te wanhopen: vannacht is jouw nacht. Je zult zien dat alles beter wordt, als je maar luistert naar oompje Brancusi.”
“Ik weet het niet,” zei Tia mat. “Ik ben erg moe. Ik wil niet wanhopen, maar ik word telkens geconfronteerd met allerlei problemen. Andere vrouwen, liefde die tekortschiet, bindingsangst, verlatingsangst, smetvrees, cocaïne, sm: ik word er nog eens knettergek van.”
“Kom,” zei Constantin, “vergeet al je zorgen en denk aan iets anders. Stel je recht, we kiezen een deuntje en we dansen door de keuken.”
Tia voelde zich vreemd licht in het hoofd. Ze nam de afstandsbediening van de cd-speler en duwde op play. Er zat een cd in van Nick Cave. “Come sail your ships around me,” zong hij met zijn grafkelderstem, “and burn your bridges down”. In de keuken werd het langzaam donker. Alleen het lampje van de dampkap gaf nog licht. De ruimte vulde zich met muziek. De piano waarop de zanger speelde klonk vertrouwd en zijn stem was warm als een vacht. Constantin legde zijn gerimpelde hand op Tias schouder, nam zachtjes haar hand in de zijne en begon een trage wals. Hij sloot zijn ogen en genoot van haar geur: een mengeling van zoet, zoute tranen en de scherpe reuk van angstzweet. Dansen met een vampier om drie uur ‘s nachts: Tia vond het opwindend, gevaarlijk en raar. Ze vond het het einde. En dat was het ook. Constantin B. omhelsde haar met meer tederheid dan een man ooit had gedaan. Innig kuste hij haar in haar hals. Tia voelde zich duizelig worden van genot. Tegen zijn magere borst gloeide ze van liefde. Ze keek hem aan met een stralende glimlach en zo lief als een man maar kon kijken, blikte hij terug. Toen hij zijn tanden diep in haar hals duwde voelde ze zich sterven van geluk. Constantin dronk haar bloed tot er geen druppel meer overbleef. Hij merkte hoe haar hart steeds trager sloeg en hij hoorde haar ademhaling verzwakken. Toen klonk de bekende stokkende snik. Hij hield haar vast tot al het leven dat in haar was verdamp was als water op een hete plaat.

Het speet hem dat ze niet meer leefde en dat hij haar warme lichaam moest achterlaten. Even had hij de hartenklop van het leven en van de liefde gevoeld. Het gemis was haast ondraaglijk, maar het was verboden. Haar dode lichaam legde hij voorzichtig neer op de keukenvloer. Op de twee diepe, zwarte gaten in haar hals na zag ze er volkomen onaangeroerd uit. Hij sloot haar ogen en legde haar armen op haar borst. Vervolgens goot hij de fles wijn leeg in de gootsteen, spoelde de glazen, droogde ze af en zette alles netjes weg. De scherven van het schaaltje dat Tia naar zijn hoofd had gegooid, deed hij in een plastic zak. Hij wiste zorgvuldig alles sporen en zorgde ervoor dat de dode Tia in een smetteloze situatie achterbleef. Nog voor het ochtend werd was hij verdwenen, verzadigd maar niet echt voldaan. Hij vond zijn redding van eenzamen en ongelukkigen steeds minder bevredigend. Het werd hoe langer hoe moeilijker om dat moordzuchtige gedrag voor zichzelf te verantwoorden, maar hij had niet echt een alternatief. Hij kon alleen overleven door het drinken van vers mensenbloed, en dan koos hij altijd nog liever de ongelukkigen dan degenen die wel nog wisten waarom ze op dit ondermaanse rondliepen. Net zoals een slang kon hij zijn slachtoffer hypnotiseren, de techniek had hij heel lang geleden van een psychiater geleerd. En de methode werkte, want de doodsangst van de vrouwen smolt als sneeuw voor de zon in en zijn armen dachten ze telkens dat ze eindelijk de enige, echte liefde gevonden hadden. Ze stierven gelukkig, in een heerlijke roes. Moest hij zich schamen voor alle moorden die hij intussen op zijn geweten had? Wellicht. Maar zodra hij op iemand zijn zinnen had gezet kon hij niet meer terug. Zijn inhalige ziel dwong hem tot moord: de drang was zo sterk en het verlangen zo intens dat het doden zelf belachelijk eenvoudig was, een zucht vergeleken bij de het gewicht van zijn eeuwige dorst.

Een paar uur later stond een man ontzet te kijken naar het lichaam van zijn mooie vriendin. Hij knielde, sloeg de handen voor het gezicht en kreunde lang en bitter. Zijn kleren stonden netjes ingepakt in een grote kartonnen doos op de keukentafel. Vanop het dak van het hoge huis aan de overkant keek een schimmige Tia aandachtig toe. Een fijne glimlach krulde om haar lippen. Haar lichaam was gestorven, maar zoals Constantin B. had gezegd, was haar geest nog intact.

Copyright Els Fiers 2016

BRANCUSI-the-kiss-sculpture-constantin-brancusi.jpg

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s