De laatste van de menselijke soort, door Els Fiers

 

 

IMG_20151202_144328.jpg

Het rook wat naar vodden in het atelier van Stuart Finch. De ramen waren dichtgemaakt met karton en tape zodat er geen licht naar binnen kon. In het donker kon je het geritsel horen van iemand die stilletjes iets aan het doen was, verder klonk er geen enkel geluid. De muffe geur steeg op uit een stapeltje vodden op de grond. Als het veel had geregend, begon het dak te lekken. Het deed Stu niks. Verval was wel het minste van zijn zorgen, al gooide hij soms een paar lappen over de plas op de grond. Hij liet de nattigheid in de vodden trekken en deponeerde ze dan ergens in een hoek, waar ze elke keer opdroogden tot kalkachtige hompen. Dat had hij deze middag ook gedaan. Hij wilde niet dat zijn nieuwe model zou denken dat hij een krot als atelier betrok. Maar de voddenbaal begon, net zoals andere dingen in de ruimte, een eigen leven te leiden. Er kwam een geur vanaf die het midden hield tussen urine en schotelwater. Niet fraai, maar het kon nog veel erger. Stu snoof de geur van vocht en schimmel op en vond dat er heel goed te werken viel in een atelier dat naar aftakeling stonk. In een mooiere ruimte zou hij niks zinnigs kunnen doen. Dat vermoedde hij althans, want hij had nog nooit in een mooi atelier gewerkt. Aan de ene kant van zijn atelier zaten grote ramen die de laatste tijd altijd afgedekt waren. Hij schilderde liefst clair-obscur en om dat goed te kunnen doen, had hij ook overdag duisternis nodig. Aan de andere kant stonden grote, beschilderde doeken op afgedekte pallets tegen het vocht. In het donker viel er weinig meer te ontwaren dan wat bleke ledematen of een pluk haar. Maar de onbedekte stukken onthulden wel dat het werk van Finch leefde. Elk detail gromde of beet, er kwam iets naar je toe dat trilde van leven.

In de afgelopen maanden was de carrière van Stu in een stroomversnelling geraakt. Na jaren ploeteren was het ondenkbare gebeurd, hij was ontdekt. Een van zijn doeken, en nog niet eens het beste, was door een Amerikaanse curator geselecteerd voor een groepstentoonstelling in New York. Al snel werd Stu uitgenodigd op nog meer tentoonstellingen. Verzamelaars hadden belangstelling, kochten zijn doeken en in het het kielzog van de Amerikaan zochten ook andere curatoren hem op. Stuart Finch was hot, zijn definitieve doorbraak slechts een kwestie van tijd. Eindelijk, want tot nog toe was het met bijval maar mager gesteld geweest. Erkenning vond hij uitsluitend bij zijn nieuwste vriendinnetjes, waardering alleen bij een paar zeldzame vrienden. Toch hadden de talloze afwijzingen hem gestaald. Hij had een bron in zichzelf ontdekt die rijk en onverwoestbaar was, en die hem dwong de wereld die hij met zich meedroeg, gestalte te geven tot ook het allerlaatste beeld in zijn hoofd geschilderd was.

Omdat zijn leven ooit een zootje was, was hij op zoek gegaan naar een uitweg. Aanvankelijk had hij die gevonden in de beelden en beklemmingen van fantasy. Hij was nog geen twintig toen hij onherbergzame landschappen schilderde, bevolkt met vreeswekkende ruimtewezens. Hij schreef scenario’s waarin mensen gevangen en verslonden werden door monsters met keverachtige gezichten, en hij bedacht allerlei situaties waaraan spelonkachtige kerkers en huiveringwekkende ontsnappingen te pas kwamen.
…”Hier komen,’’ beval de cipier, waarna hij het slot met een gebaar van zijn tentakel openmaakte. Bird wachtte op de klik waarmee de ijzeren staven los zouden springen.
‘Ik kom al,’ bromde hij, en hij sleepte zich schijnbaar dodelijk vermoeid naar de ingang van zijn cel. Bird wist dat het schepsel met de slangachtige armen hem mee zou nemen naar een martelkamer. Daar zouden zijn hersenen verwijderd en opgeslagen worden, en de dooie huls die ooit zijn lichaam was geweest, zou door de gangen worden gesleept om de anderen te laten zien hoe het ook hen zou vergaan. Geen betere bewaker dan de angst, wisten de indringers, die niet van plan waren ook maar een gevangene te laten leven. Maar Bird dacht er niet aan zich zomaar te laten vermoorden. Tijdens zijn dagen en weken in dit vochtige hol, met het gekrijs en gehuil van de wanhopigen op de achtergrond, had hij zijn ontsnapping nauwkeurig voorbereid.
‘Omdraaien,’ siste tentakelman. En op dat moment sloeg Bird genadeloos toe.’

De beelden die Stu voor zich zag probeerde hij uit alle macht te vatten op doek. Hij ging er zo in op dat de echte wereld aan hem voorbij ging, en dag na dag sloot hij zich op om rond te zwalken in een verbeelding die zowel schitterend als beklemmend was. Zijn werk en zijn personages werkten als een drug. Hij kon geen dag meer zonder en klampte zich zo stevig aan zijn visioenen vast dat het leek alsof hij nooit meer zou kunnen ontsnappen. Hij ontwikkelde een liefde voor Kak-roach, een reuzenkakkerlak die op mensen joeg in een met vuil overdekte stad. En hij bedacht de sexy heldin Star-a, een van de laatste overlevenden van de menselijke soort, en de ultieme prooi voor het monster dat heerste over de vervuilde aarde. Dat alles hield hij jaren vol, maar helaas sloeg zijn fantasywereld voor geen meter aan. Aandachtig bekeek hij de galeriehouders die hem uitlegden waarom zijn doeken geen kopers zouden vinden. Aan de vermoeide trek om hun mond leidde hij af dat het tijd was om Star-a vaarwel te zeggen. Ontgoocheld was hij nauwelijks, hij begreep dat zijn scheppingen persoonlijk waren en dat anderen dat ongemakkelijk vonden. Hij was er ook de man niet naar om eeuwig te blijven doorgaan met een kansloos project, ook al hield hij veel van Kak-roach en zou hij zijn buitenaardse psychopaat nooit vergeten. Vol goede moed boorde hij andere lagen van zijn verbeelding aan, waar hij iets vond dat nog altijd even raar, maar voor de kunstwereld makkelijker te accepteren was. Voortaan verdiepte hij zich in composities die compacter maar theatraler waren. Star-a ruilde hij in voor alledaagse meisjes die hij uit de kleren kreeg en die bereid waren zich te laten fotograferen in bizarre, geënsceneerde situaties. De aliens liet hij vallen. De vervuiling liet hij varen. Van de weidse landschappen, die hij eigenlijk toch al beu was, stapte hij af. Maar de basis bleef gelijk. Zolang hij een universum kon creëren waarin niemand hem te pakken kreeg, schilderde hij het ene doek na het andere. Steeds meer straalde hij de vastberadenheid en concentratie van een echte kunstenaar uit, en na een tijd kon geen mens hem nog van zijn pad afbrengen. Hij werd nog eenzamer dan hij al was, maar hij had een oplossing. Die heette Kitty, of Kit, zoals hij haar noemde in zijn berichtjes.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s